Geschiedenis van de Mac Gillavry's in Nederland en Nederlands-Indië

Bron:

Schotland

Over Farquhar Mac Gillivray of Dunmaglass, VI Chief behoorde tot de notabelen van Strathnairn door de voorname plaats die de Clan Mac Gillivray toen in die streken innam. Uit zijn huwelijk met Emilia Stewart of Newtoune werden acht kinderen geboren. De oudste, Farquhar, de latere VII Chief, kwam in 1690 ter wereld. De tweede. Benjamin of Bean, zal hem wel omstreeks 1692 gevolgd hebben. Deze Benjamin was tacksman op de landerijen van the Castle of Cluny en the College of Spynie, een voormalig klooster. Daarnevens hield hij zich bezig met de veehandel, zoals de meeste clansmen in die tijd. Aangezien de zeven kinderen uit zijn eerste huwelijk met Margaret Clarke allemaal in Elgin werden geboren, zal hij in die stad ook wel een huis gehad hebben. De familie Clarke was een oud geslacht uit Badenoch. Benjamin's oudste zoon John, die op 2 Februari 1722 geboren werd, was evenals zijn vader veehandelaar, maar geen tacksman meer. Toen de Hooglanden in 1746 door de Engelsen werden onderworpen en het clansysteem werd afgeschaft, was hij dus pas 24 jaar oud, te jong nog om tacksman te zijn. Het ligt voor de hand dat hij, onder de toen heersende omstandigheden, de onveilige bergdalen van de Hooglanden verlaten heeft en in de stad Elgin ging wonen. Hij trouwde met Margaret Stephen en kreeg vier kinderen. De oudste was een zoon, die William genoemd werd. Deze William was van beroep "cabinetmaker", schrijnwerker zouden wij zeggen, in Elgin.

Opvallend is hoe met de onttakeling van de samenleving in de Hooglanden en de steeds toenemende armoede in die streken, het maatschappelijke peil van vele van zijn inwoners daalde. Farquhar grootgrondbezitter. Benjamin pachter, John veehandelaar, William schrijnwerker. Ongetwijfeld een honorabel en kunstzinnig beroep, maar toch was William duidelijk een handarbeider. Blijkbaar voldeed dit werk hem niet zo. Misschien vond hij het juk van de Engelse bezetting te zwaar. Hoe dan ook, op 23 Maart 1781 voegde hij zich bij de Schotse Brigade in de Nederlanden, onder commando van generaal-majoor Dundas.

De Schotse Brigade was een keurkorps met een lang en roemrijk verleden. Kort na het uitbreken van de opstand in de Nederlanden in 1568 trok met aanmoediging van de Schotse regering een aantal vooraanstaande Schotse edellieden met door henzelf bekostigde privé-legertjes naar de overzijde van het kanaal om de in opstand gekomen Protestanten te gaan helpen in hun strijd tegen het Spaanse bewind. Zo namen zij actief deel aan de verdediging van Haarlem in 1573. Allengs organiseerden deze legertjes zich tot drie regimenten die samen de Schotse Brigade gingen vormen. Meer dan twee eeuwen lang heeft zij de Republiek trouw gediend. De eerste drie oorlogen tussen Engeland en de Nederlanden heeft zij overleefd. Schotland was toen immers nog zelfstandig en stond buiten deze strijd. Anders werd het bij het uitbreken van de vierde Engelse oorlog in 1781 toen Engeland en Schotland verenigd waren. Natuurlijk moest toen dit legeronderdeel, dat nog in Britse uniformen optrad, worden ontbonden. Het werd in 1782 bij de regelmatige Nederlandse troepen gevoegd. Veel Schotse officieren en manschappen zijn toen naar hun vaderland teruggekeerd.

William in Nederland

William was in 1781 te Venlo in garnizoen gekomen. Net op tijd om aan de beruchte clearances te ontkomen, die het daaropvolgend jaar in de Hooglanden begonnen en ook nog net op tijd om zich bij de Brigade te kunnen voegen. Bij de ontbinding hiervan werd de kolonel Bentinck zijn nieuwe commandant. Op 2 Oktober 1787 eindigde zijn dienstverband.


Eerste Sassenstraat 29, Zwolle

Hij vestigde zich in de Eerste Sassenstraat 29 te Zwolle, waar hij Engelse lessen ging geven. Mensen die in die tijd Engelse privaatlessen namen, of die aan hun kinderen lieten geven, stelden hoge eisen aan de intelligentie en de beschaving van hun leraren. Hieraan schijnt William voldaan te hebben. Gezien zijn eenvoudige achtergrond en zijn ongetwijfeld geringe opleiding is dit toch wel een prestatie die respect verdient. Hij was klein van stuk, iets meer dan 1.60, en breed in de schouders. Hij had rossig haar en de daarbij behorende blanke huid en lichtblauwe ogen.

Op zijn drie en veertigste jaar bezweek de verstokte vrijgezel voor de charmes van een van zijn leerlingen, die twee en twintig jaar jonger was dan hij. Zij heette Elisabeth Landevelt en kwam uit Emmerik in het Rijnland, een stad die toen nog meer Nederlands dan Duits was. Zij trouwden op 26 April 1795 in de Michaelkerk te Zwolle en al op 30 Mei van datzelfde jaar werd hun dochter Wilhelmina Paulina geboren. Afgaand op het uiterlijk van hun zoon Hendrik, die eind 1797 werd geboren, moet Elisabeth donker van haar en bruin van oog geweest zijn. Zij heeft een grote bijdrage geleverd aan de opgang in de maatschappelijke stand van haar man en haar gezin. Zij bracht hem in de Doopsgezinde gemeenschap van Zwolle en gaf hem daardoor de stevige kerkelijke ruggesteun, die in die tijd zo belangrijk was. Hun oudste dochter trouwde met Willem Jan van der Vegte, waagmeester in Zwolle en hun tweede dochter Geertruida met Pieter Voskuil, stadstekenmeester in Medemblik. Beiden notabelen in hun woonplaatsen. William overleed op 4 Mei 1810. Hij werd begraven in de Bethlehemkerk van Zwolle. Zijn vrouw overleefde hem met 42 jaren.

De maatschappelijke wederopbloei van de familie, die door William en Elisabeth op gang was gebracht, werd zeer bevorderd en tenslotte voltooid door hun oudste zoon Hendrik. Door de grote toewijding waarmee hij zijn moeilijke en verantwoordelijke taak verrichtte, waarbij hij kundig gebruik maakte van zijn vele gaven, heeft hij aan zijn nakomelingen, en dat is de hele Nederlandse familie, vele kansen gegeven, die zij anders nooit gehad zouden hebben. Hiervoor verdient hij ons aller respect en dankbaarheid. Over zijn leven zou een boeiende avonturenroman geschreven kunnen worden, zoals die over the Hon. William Mac Gillivray, Lord of the Northwest, de bonthandelaar en ontdekkingsreiziger in Canada of over Alexander Mac Gillivray of the Creeks, het Indianenopperhoofd of over Donald Mac Gillivray, de zendeling in China en beroemd sinoloog, zijn gepubliceerd. Alle stof ervoor is aanwezig. Misschien dat iemand het nog eens doet. Hendrik verdient het wel! Op vijftienjarige leeftijd trad hij na een uiterst summiere schoolopleiding in dienst bij de Ontvanger van het Stadsoctrooi te Zwolle. Hier viel hij al dadelijk op door zijn intelligentie en zijn ijver.

Hendrik in Nederlands-Indië


Anna Theodora Maurisse & Hendrik Mac Gillavry

The career of Hendrik Mac Gillavry

  • 1819 Recorder High Civil and Military Courts
  • 1821 Assistent Resident Buitenzorg (Bogor)
  • 1822 Assistent Resident Surakarta
  • 1823 Resident Surakarta
  • 1827 Suspended and fired - too sympathetic to Javanese in Java War
  • 1829 Resident West Coast Sumatra
  • 1830 Reinstated as Resident Surakarta
    Knighted Order of the Dutch Lion (Nederlandsche Leeuw)
  • Died 15 February 1835 in Sukaradja of cholera.
    Buried at Tjitrap near Batavia (Jakarta)

Op 3 Maart 1816 vertrok hij, achttien jaar oud, als ambtenaar der vijfde klasse naar Nederlands-Indië, dat de Engelsen toen net aan de Nederlandse regering hadden teruggeven. Nadat hij in Vlissingen een maand op gunstig zeilweer had moeten wachten, scheepte hij zich in op het fregat de "Nassau". Hiermee begint dan de voor onze familie zo belangrijke Indische episode.

Aan boord waren ook Mr. Pieter Simon Maurisse met zijn vrouw en hun kinderen Anna Theodora en Wijnand Elisa. Aan deze Pieter Simon moet een enkel woord gewijd worden. Zijn grootvader Pierre Maurisse was aan het eind van de zeventiende eeuw, waarschijnlijk omwille des geloofs, uit Florac in de Cevennes in Frankrijk vertrokken en had zich, zoals zo velen van zijn landgenoten, in Leiden gevestigd. Pieter's vader Jean was daar boekhouder bij de Bank van Lening. Hijzelf had aan de Leidse Universiteit rechten gestudeerd. Tot 1802 was hij lid van de Municipaliteit van zijn geboorteplaats. Als zovele moderne mensen uit die tijd was hij een patriot, Fransgezind dus. Dientengevolge had hij de Oranje-aanhangers de rug toegekeerd. Op 21 Januari 1803 arriveerde hij voor het eerst in Batavia. In 1809 keerde hij weer terug naar het vaderland en werd daar president van de rechtbank te Hoorn.

Zoals gezegd vertrok hij in 1816 opnieuw naar Indië. Hij werd daar uiteindelijk president van het Hooggerechtshof, tevens van het Hoog Militair Gerechtshof en Raad Extraordinair van Indië. Zijn maatschappelijke stand had hij, zoals in die tijd nuttig en nodig was, vastgelegd door zijn huwelijk op 4 November 1798 met Johanna Maria Theodora van der Hoeven, een dochter uit een invloedrijke Rotterdamse regentenfamilie. Hendrik heeft zijn tijd aan boord blijkbaar goed besteed. Op 15 Augustus 1819 trouwde hij met Anna Theodora Maurisse. Zeer tot genoegen van vader Maurisse. Op 7 Juli 1820 schreef hij hierover aan zijn vriend Mr. Etienne Luzac in Leiden:

"Gelukkiglijk bevind ik mij steeds in goede welstand, woonende ik sinds November 1819, wanneer mijn vrouw en zoon mij hebben verlaten, met mijne dochter, die in 1819, was getrouwd - zeer naar ons genoegen - en haaren man den Heer Mac Gillavry van Zwolle, uit welk huwelijk ik, ruim een maand geleden, een kleinzoon heb gekregen. Mijn schoonzoon is Adjunkt-Griffier bij het Hoog Geregtshof en Griffier bij het Hoog Militair Geregtshof, welke beide Kollegiën ik de eer heb van te presideren."


Residentswoning te Soerakarta

Hendrik volgde aldus het goede voorbeeld van zijn schoonvader om zijn maatschappelijke stand door zijn huwelijk te bevestigen. Mede hierdoor kon hij de grondslag leggen voor zijn latere fenomenale loopbaan. In 1819 al werd hij benoemd in zijn functie bij beide Gerechtshoven waar schoonvader Maurisse president van was. Dat deze laatste Hendrik in de stijgbeugel heeft geholpen is dus wel heel duidelijk! In 1821 trad hij in dienst van het Binnenlands Bestuur als assistent-resident van Buitenzorg en vervolgens in 1822 van Soerakarta. In 1823 werd hij daar tot resident benoemd. Deze snel op elkaar volgende promoties lagen buiten de directe invloedsfeer van zijn schoonvader en kunnen dus alleen aan zijn eigen prestaties te danken geweest zijn. Het was toen pas zeven jaar geleden dat hij in Indië was aangekomen en toen hij resident werd was hij pas 28 jaar oud. Het residentschap was in het toenmalige Indië een zeer hoge ambtelijke post, die recht gaf op allerhande eerbewijzen als bijvoorbeeld het gebruik van de gouden pajong (parasol), hetgeen overigens alleen maar aan de hoogste Javaanse adel was voorbehouden. De post te Soerakarta was bovendien een van de moeilijkste omdat dit de hoogste macht inhield aan het Hof van de Soesoehoenans, de wettige voortzetters van de tradities van de keizers van het oude machtige Rijk van Mataram. Deze Soesoehoenans waren potentaten die zich hun rang en roemrijke verleden van hun Huis zeer wel bewust waren. Zij moesten dus bijzonder omzichtig worden benaderd en zeer worden ontzien, terwijl aan de andere kant de resident duidelijk moest laten blijken dat hij in rang hun meerdere was. Dit was dus een taak, die ten aanzien van deze hoge heren het uiterste aan tact en diplomatieke gaven vergde. Buitengewoon moeilijk voor iemand die nog zo jong was en nog pas zo kort in dit verre en vreemde land woonde met zo geheel andere zeden en gewoonten. Onwillekeurig denkt men dan terug aan de wijze woorden van Sir Thomas Innes of Learny.

"Zo komt het dat een clansman vaak, wanneer de omstandigheden hem daartoe de kans gaven, zich van herder van koeien of schapen in een vreedzaam bergdal in de Hooglanden, ontwikkelde tot een gelijke van, en niet tot een parvenu tussen, de hoge adel en de staatslieden elders in de wereld".

Zeer toepasselijk op Hendrik Mac Gillavry! Hij deed zijn werk goed op zijn moeilijke post. Hoe moeilijk bleek enkele jaren later. In 1825 brak in de aangrenzende residentie Djokjakarta de Java-oorlog uit. Aangezien de hieraan verbonden gebeurtenissen een grote invloed op Hendrik's leven hebben gehad, moet hier wat nader op ingegaan worden. De Vereenigde Oost-Indische Compagnie, de V.O.C., heeft door de eeuwen heen dankbaar gebruik gemaakt van de onderlinge twisten aan het Hof van het oude en machtige Rijk van Mataram, dat oorspronkelijk het grootste deel van Java besloeg. In 1755 deelde zij het op in de vorstendommen Soerakarta en Djokjakarta. De wettige rechtsopvolger, de Soesoehoenan van Soerakarta en de nieuw gecreëerde Sultan van Djokjakarta hadden hun land. formeel aan de V.O.C. afgestaan en weer in leen terug gekregen. Tijdens het Engelse tussenbestuur van 1811 tot 1816 trok de Gouverneur Sir Thomas Stamford Raffles deze lijn door. Hij liet zelfs de kraton van Djokjakarta door zijn troepen bestormen en innemen. Dat het blanke koloniale bestuur, of het nu Engels was of Nederlands, zich hierdoor vooral in Djokja niet bepaald bemind had gemaakt is duidelijk. In 1816 werd Oost-Indië terug gegeven aan het nieuw gevormde Nederlands-Indische Gouvernement, dat alle rechten en plichten van de oude V.O.C. had overgenomen. Zeer tegen de zin van Raffles, die niet naliet door zijn handlangers onrust te laten zaaien tegen het nieuwe bestuur waar hij kon.

Bij een bezoek in 1980 van Aline (A.Th.) Mac Gillavry aan de kraton van Soerakarta, bleek daar nog veel belangstelling te bestaan voor de persoon en het werk van de resident H. Mac Gillavry. Men beschikte daar nog over enige documentatie over die tijd, waaraan het volgende is ontleend.

De diepere oorzaken van de Java-oorlog werden hierboven al geschetst. De directe aanleiding daartoe deed zich in Juli 1825 voor. Op last van de Rijksbestuurder van Djokjakarta, een hoveling en verwant aan de Sultan, met wie Dipo Negoro, prins van den bloede en eveneens familie van de Sultan, in grote onmin leefde, moest een rechte weg van Djokja naar Magelang worden aangelegd. Deze zou dan dwars over diens woonerf en volgens sommigen zelfs dwars door diens woning gaan lopen. Het spreekt vanzelf, dat Dipo Negoro dit als een grove belediging en een aanranding van zijn bezit opvatte. Temeer, daar hij van deze plannen geheel onkundig gelaten was. Na enige schermutselingen bij het uitzetten van het tracé van de weg, riep hij zijn gewapende getrouwen op naar zijn verblijfplaats Tegal Redjo even buiten Djokja. Honderden gaven hieraan gehoor. Verder zond hij boodschappers uit naar diverse regentschappen met het bevel zich gereed te maken voor de aanstaande strijd. Resident Smissaert van Djokjakarta was van dit alles geheel onkundig. Het eerste bericht omtrent Dipo Negoro's plannen ontving hij van zijn ambtgenoot te Soerakarta. De 19e Juli 1825 schreef de resident van Soerakarta Mac Gillavry aan Smissaert, dat Dipo Negoro aan twee van zijn ondergeschikte hoofden reeds geruime tijd "vier poewassa's", hun pachtgelden had geschonken, onder voorwaarde, dat zij daarvoor wapens zouden kopen om er zijn aanhangers mee te bewapenen. Welke inzichten of plannen Dipo Negoro met deze "kramanspartij" had, kon Mac Gillavry niet opgeven. Hij gaf in elk geval Smissaert kennis van het gerucht. "Teneinde met omzichtigheid een waakzaam oog op denzelven te kunnen houden". Intussen zou hij nadere renseignementen inwinnen. Smissaert sloeg weinig geloof aan dit verhaal en dacht dat het allemaal wel los zou lopen. Hij meende dat het voorlopig niet nodig was om officieel in te grijpen aangezien de ontevreden Dipo Negoro wel spoedig zijn dwaling in zou zien. Dezelfde 19e Juli 1825 schreef Mac Gillavry aan de assistent-resident-secretaris te Djokja Chevallier:

"Amice, De demang der desa Grojogan is op last van de Pangéran Dipo Negoro met 100 man van zijn gevolg naar Jogja vertrokken. Enigen van mijn spionnen zijn terug. Zij brengen de tijding, dat het plan bestaat om eerst Patjitan aan te vallen en met die bevolking Jogja te overmeesteren. Zorg intusschen maar, dat hij, noch Dipo Negoro er iets van merken, dat wij hen bespionneren. Een bijwijf van den demang heeft zich uitgelaten, dat hij naar Jogja was om nadere orders te ontvangen, meldt mij per extra post wanneer hij weer van Jogja vertrekt en laat dan door een knappen vent slechts in de verte nagaan of hij ook een andere koers neemt. Op de pasars alhier loopt het gerucht, dat er op Jogja prang (oorlog) zal komen en dat hetkleine volk reeds al zijn goederen geborgen heeft; dat de Rijksbestierder van Jogja de Merapi heeft beklommen om een gelofte te doen voor dien prang enz. Deze merae nugae (louter beuzelpraat) alleen tot Uwe informatie. Vaarwel, H. Mac Gillavry."

Kort daarna ontving eindelijk ook Smissaert stellige berichten dat Dipo Negoro een legertje aan het formeren was. Toen zonden de Resident en de Rijksbestuurder onmiddellijk de Pangéran Mangkoe Boemi naar Tegal Redjo met het bevel aan Dipo Negoro om aan de resident rekening en verantwoording te komen afleggen voor zijn gedrag. Hij kwam terug met de boodschap dat Dipo Negoro bang was om gevangen genomen te worden en daarom weigerde te verschijnen. Mangkoe Boemi werd weer naar Tegal Redjo gezonden met de boodschap dat Dipo Negoro nu onmiddellijk diende te komen en mocht hem dat niet gelukken, dan zou hij, Mangkoe Boemi, daarvan zelf de gevolgen ondervinden. Natuurlijk kwam laatstgenoemde niet meer terug en sloot zich bij Dipo Negoro aan. Nu werden troepen van de sultan en van de Pangéran Pakoe Alam en een detachement Nederlandse militairen, 50 man sterk, met twee stukken geschut naar Tegal Redjo gezonden. De secretaris Chevallier had zich hier ook bij aangesloten. Op de plaats van bestemming aangekomen ging laatstgenoemde met een klein escorte vooruit en maande een aanzienlijke massa oproerige lieden aan om zich te onderwerpen en uiteen te gaan. Deze boodschap werd beantwoord met geweervuur en het werpen van stenen. Met enkele goed gerichte kanonschoten en een charge van de cavalerie werd de menigte die op ongeveer 1500 man geschat werd, uiteengedreven, waarvan twintig tot vijf en twintig man werden gedood. Aan de andere zijde sneuvelden een wachtmeester van de huzaren en een trompetter, terwijl er twee huzaren zwaar gewond werden. Dipo Negoro eMangkoe Boemi konden ontkomen. Hiermee begon een oorlog die vijf jaar heel Midden-Java op gruwelijke wijze heeft geteisterd. Hij kreeg al gauw een bijzonder gevaarlijk karakter omdat de fanatieke Mohammedaanse priester Kiahi Modjo de heilige oorlog tegen de Christenhonden had geproclameerd.

Bovendien beschikten de opstandelingen, die intussen een uitgebreide guerilla waren begonnen, over de zeer kundige aanvoerder Prawirdirdja, beter bekend als Sentot. Al snel waren grote delen van Midden- en Oost-Java in hun macht en werden zelfs grote steden als Semarang en Soerabaja bedreigd. Alleen in de residentie Soerakarta bleef het rustig. In 1824, dus nog voor het uitbreken van de opstand, had de resident Mac Gillavry de gouverneur-generaal Van der Capellen al gewaarschuwd voor de ontevredenheid, die hij onder de Javaanse bevolking waarnam, door een schriftuur met de volgende titel: "Nota omtrent den Staat der Javasche Vorstenlanden, de thans bestaande onlusten en de middelen welke tot herstel en verzekering der rust kunnen worden aangewend." Het originele manuscript is in het familiearchief aanwezig.

Hij schreef onder meer het volgende:

"Alvorens te spreken over de wijze van administratie der tolpoorten mag ik aanmerken, dat de Javaan onder zijn eigen bestuur niet ongelukkig is, zoo als uit deze eenvoudige waarheid blijkt, dat in de binnenlandsche districten waar goede regenten zijn, die hunne ondergeschikten tegen den willekeur der Chinezen beschermen, de bevolking welvaart en rust geniet, en in de overigen de ellende ten toppunt is geklommen, de rooverijen van dag tot dag vermenigvuldigen, en de binnenlandsche oorlogen (prang dessa) meer dan immer plaats vinden, en zelden zonder het vermoorden van eenige dessa-bewoners eindigen. Alle deze onheilen, die dit anders zoo gelukkig gedeelte van Java in een rampzalig verblijf herschept, voor die genen welke door het lot of toeval aan die oorden hunne geboorte verschuldigd zijn, of aldaar hun verblijf houden, hebben hun bestaan aan ons te danken; aan ons, die eene menigte vreemde onderdrukkers in hunne vreedzame gebergten bij duizenden toelaten, niet om hen belastingen af te vorderen, welke gelijkwerkend en naar eene billijke maatstaf geregeld zijn, maar om hen alles af te nemen wat zij bezitten, wat zij moeten verkrijgen en wat hen de oogst hunner akkers zal opbrengen; vreemdelingen die hen mishandelen, ongelukkig maken, hunne regenten en hoofden vernederen, met hunne geliefkoosde voorvaderlijke begrippen den spot drijven, en zich ongestraft alle daden veroorloven, die met den naam van slecht en onregtvaardig kunnen bestempeld worden."

Dit over de uitbuiting van de plaatselijke bevolking door de Chinezen. Dan over de heffingen zelf het volgende:

"Ik zal niet spreken van de heffing, welke zij zich veroorloven op de goederen en artikelen, die de tolpoorten passeeren, of op de markten ter verkoop worden gebragt, waarvan de gevorderd wordende pacht dikwerf meer bedraagt dan de waarde dier artikelen. Ik zal ook daarlaten de monopolisatiën in alle takken van handel en de eerste levensbehoeften, alsmede de extorsiën, welke de pachters zich bij zoodanige gelegenheden veroorloven. Dan, Uwe Excellentie stelle zich voor den geest, dat de landbouwer, na den ganschen dag in het zweet zijns aanschijns voor zijn behoeftig huisgezin het veld beploegd of bearbeid te hebben, bij het passeeren langs de banderij of andere heffingsplaatsen tol betalen moet, dat hij tevens aan zoodanige voldoening is onderworpen, indien zijne buffels onder de uitgestrektheid van des pachters ressort grazen; dat het niet aangeven of permissie vragen van zoodanig iets, als fraude der quasi-pacht wordt beschouwd en daardoor meestal eene boete incurreert, gelijkstandig met de waarde zijner karbouwen; dat hij soort gelijke boeten zelden mag voldoen, maar de buffels daarvoor worden aangehouden, die de eigenaar als dan verpligt is, telkens tot bearbeiding zijner velden te huren; zoo dat wanneer de oogsttijd daar is, het grootste gedeelte, zoo niet alle de vruchten, door den pachter als buffelhuur worden in beslag genomen en bovendien zijne buffels zelve nimmer worden teruggegeven."

Hoe ver was hij zijn tijd vooruit en wat had hij een goed hart! In Mei 1826, toen de oorlog een zeer verontrustend verloop begon te krijgen, schreef hij opnieuw, nu een uitgebreid memorandum, aan de net geïnstalleerde Gouverneur-Generaal du Bus de Gisignies. Hierin zette hij uitvoerig uiteen hoe hij voorkomen had, dat de opstand naar zijn residentie was overgeslagen, terwijl het Hof van Soerakarta in het geheim met zijn verwanten in Djokja sympathiseerde en alleen maar op een aanleiding wachtte om ook aan de strijd deel te nemen. Verder analyseerde hij de oorzaken van de opstand, gaf hij richtlijnen aan hoe deze beëindigd zou kunnen worden en wat er daarna zou moeten gebeuren. Hij kwam hierbij tot het opzienbarende voorstel om de splitsing van 1755 weer ongedaan te maken en Djokjakarta weer bij Soerakarta te voegen en tegelijkertijd de inkomsten van de vorstelijke personen zowel in Djokja alsook in Solo te verhogen om hun gerechtvaardigde grieven weg te nemen, althans te verzachten. Indrukwekkend is zijn heldere, soms wat emotionele betoogtrant en zijn diepgaande kennis van de geschiedenis van Java en zijn vorstenhuizen.

Hij begon zijn memorandum met de volgende opmerking:

"Bij eene oppervlakkige beschouwing zou men zich verwonderen hoe het mogelijk zij, dat de Javaan eene met zijnen aard zoo geheel strijdige zucht tot oorlog kenmerkt, daar hij bij weinig behoeften slechts naar rust verlangt, tevreden is met zijnen staat, en tot welken kring der maatschappij hij ook verordend is, met gelatenheid alle knevelarijen en wederregtelijke handelingen van zijne meerderen ondergaat. Het is dan ook geenszins de zucht om te oorlogen, die wel in vroegere als latere tijden den Javaan bezielde, en geheele districten in opstand bracht, doch het waren de groeten die uit zucht naar gewin en aanzien, door afgunst, geleden of vermeend ongelijk het volk tot opstand aanzetten, welke blindelings gehoorzaamd werden, bijzonderlijk wanneer zodanig iemand van vorstelijken bloede was."

Over de oorzaken van de opstand schreef hij het volgende:

"Uit hetgeen ik alzoo bij deze heb aangevoerd, kan worden afgeleid, dat de onlusten hoofdzakelijk zijn veroorzaakt: Eerstens door het aanzijn van eenen minderjarigen vorst, waardoor partijschappen ontstaan en daden zijn gepleegd, die het verband van het bestuur hebben uiteengerukt en de bevolking onderdrukt. Tweedens door den plaats gehad hebbende verhuur der landerijen,waardoor een voornaam gedeelte der hoofden, regenten en prinsen gedurende verscheidene jaren van hun inkomsten zijn verstoken. Derdens door het bestaan der drukkende belasting van de tolpoorten, waardoor de bevolking in het algemeen gekneveld en tot de diepste ellende en armoede gezonken is en alzoo de eerste gelegenheid de beste heeft aangegrepen om zich van deszelfs onderdrukkers te bevrijden. Vierdens door het niet voldoen der pacht voor Tjabaranka, hetgeen bij de Djokjasche voogden de natuurlijke veronderstelling heeft doen geboren worden, dat wij deze landen even gelijk de vroegere aan hhun ontnomen provinciën zonder enige vergoeding verlangden te bezitten en eindelijk volgt uit dit alles, zoomede uit de wijze waarop de zaken te Djokjakarta werden behandeld, het besluit dat bij hun de gedachte is ontstaan, dat het Gouvernement zich van lieverlede van het Djokjasche Rijk trachtte meester te maken."

Hij eindigde met de volgende passage:

"Moeijelijk is het voorwaar, onder beschaafde natiën algemeene volksbegrippen tegen te gaan, hoeveel te meer zoude zulks niet zijn, onder een volk waar voorzeggingen, ligtgeloovigheid en wonde- ren meest alle deszelfs handelingen en daden bestieren en waar het bijgeloof met ondeugd en priesterlist hand aan hand gaat om het onkundig en dom gemeen te bedriegen. Wij kunnen deze hunne begrippen als volksgeloof aannemen en eerbiedigen en te gelijkertijd van die omstandigheden door onze meerdere kennis en verstand gebruik maken, tot bereiking van het doel, dat ons aanzijn in Indië medebrengt, zonder daarom evenwel de goede trouw uit te sluiten."

Blijkbaar is dit schriftuur zijn superieuren in het verkeerde keelgat geschoten. In 1827 werd hij althans gesuspendeerd en vervolgens ontslagen op beschuldiging van collaboratie met de opstandelingen. Vanzelfsprekend voerde hij een fel verweer tegen deze buitengewoon onrechtvaardige beslissing. Het gevolg daarvan was, dat hij in 1829 tot resident van Sumatra's Westkust werd benoemd met Padang als standplaats. Hiermede was hij natuurlijk nog helemaal niet tevreden. Hij wenste terecht volledig eerherstel en herbenoeming op zijn oude post Soerakarta. Dit gebeurde in 1830. Bovendien werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Dit was dan de complete rehabilitatie die hij had geëist en tevens een erkenning van zijn grote verdiensten. Blijkbaar heeft hij zelfs dat ene jaar van "ballingschap" in Padang niet stil gezeten. In dat jaar 1830 sloot hij een verdrag tot bijstand met de radja van Troemoen, die zich juist van de sultan van Atjeh had afgescheiden. Het gebruikelijke patroon dus, waarbij onderling ruziënde inheemse vorsten de hulp van het Gouvernement inriepen. In datzelfde jaar eindigde de Java-oorlog met de gevangenneming van Dipo Negoro, die door zijn gehele aanhang verlaten was. In Mei van dat jaar werd hij verbannen naar Menado op Celebes. Dit was dan het einde van een tragisch-romantische figuur, aan wie een grote dosis moed niet kon worden ontzegd. De strijd had het Gouvernement schatten gekost, had de werving van veel soldaten in Nederland nodig gemaakt en had uitgestrekte gebieden verwoest. 8000 Europeanen en 7000 inheemsen in Gouvernementsdienst waren hierbij omgekomen. Het verlies aan mensenlevens aan de andere kant was oneindig groter en niet bij benadering te schatten. Een beetje meer inzicht in en begrip voor het eergevoel van de Oosterling van de Nederlandse kant had al dit onheil kunnen voorkomen.

In December 1831 schreef de resident Mac Gillavry een verhandeling over het ontstaan en de titulatuur van de adel op Java, genaamd: "Aanteekeningen omtrent den Adelstand der Javanen". In 1981 verscheen in Kuala Lumpur, Maleisië, een boek van P.B.R.Carey, docent in de Moderne Geschiedenis aan het Trinity College te Oxford. Het heet "Babad Dipanegara", Monografie aangaande Dipanegara, en het behandelt het uitbreken van de Java-oorlog in 1825. Het is gebaseerd op bronnen uit het Hof van Soerakarta. Aangezien zoals bekend, de resident van Soerakarta, Hendrik Mac Gillavry, hierbij een van de sleutelfiguren was, zijn enkele passages aan hem gewijd.

Nieuws brengt het na het voorafgaande niet, maar toch lijkt het de moeite waard om de zinnen die aan hem zijn gewijd in het oorspronkelijke ritmische Hof Javaans met vertaling hier te melden.

Kanjeng Tuwan Residhen Surakarta, andangu Raden Dipati Sasradiningrat serat kinen mangsuli. Kanjeng Raden Dipati Ion aturira mring Kanjeng Tuwan Hendrik Magillapri mapan Residhen Surakarta pakewed serat puniki kawula datan kadugi amangsuli. De eerwaarde resident van Soerakarta verzocht Raden Adipati Sasradiningrat (de Patih van Soerakarta) een brief ten antwoord te laten schrijven. De Raden Adipati zeide langzaam tot de heer Hendrik Mac Gillavry, de Resident van Soerakarta: Deze brief is ongepast, ik ben niet bevoegd hierop te antwoorden. Mring Kanjeng Gufrenur-Gendral lawan utusana malih marang nagri Surakarta Kanjeng Tuwan Magillapri Residhen kang ngwasani bawah Surakarta lamun Pangeran Dipanegara wus lolos saking negari ing Ngayogya aneng Silarong ngaldaka.

De Gouverneur-Generaal zond een boodschapper naar Soerakarta voor de heer Mac Gillavry, de Resident, die het gezag uitoefent over de streek van Soerakarta. "Stel hem ervan op de hoogte dat de Pangéran Dipanegara van de hoofdstad Djokja naar de heuvel Selarong is gevlucht."

Winarni praptang Loji wus umangsuk Loji pa Residhenan wanci pukul tiga dalu upasliyun kang serat ngaturken sigra mring Jeng Hendrik Magillapri. Winaca sinuk meng driya langkung kaget nimbali Suketaris kalawan utusan sampun manggil Raden Dipatya Sasradiningrat. Na aankomst in de residentie betrad hij de woning van de Resident om drie uur in de nacht. De postiljon overhandigde de brief onmiddellijk aan Hendrik Mac Gillavry. Toen hij de brief had gelezen en de inhoud ervan tot zich had laten doordringen was hij zeer geschokt. Hij ontbood zijn secretaris en zond een boodschapper om Raden Adipati Sasradiningrat te roepen. Ingantara pukul astha marengi Tuwan Magillapri sampun kang caraka mawi surat situ-situ lampahipun kang satunggil mring Semarang katur mring Residhen Dhomis. Lajeng marang Batawujah katur marang ing Gufrenur Batawi binekta mring upasliyum caraka kang satunggal Tuwan Litnan Ajidan mring Gunung Kidul.

Om ongeveer acht uur gaf de heer Mac Gillavry de opdracht dat de boodschappers met de brieven zo snel mogelijk zouden vertrekken, één naar Semarang met een brief bestemd voor Resident Domis, die vervolgens doorgezonden diende te worden naar Batavia teneinde de Gouverneur-Generaal op de hoogte te brengen. Deze zou door een postiljon meegenomen moeten worden. De andere boodschapper was de Luitenant-Adjudant, die naar Goenoeng Kidoel werd gezonden.

Tuwan Dhomis ngandika Ion mring Sekretaris lingira ingsun tampi nawala kakalih srat situ-situ lah iya pikiren padha. Tuwan Hendrik Mac Gillavry, Residhen ing Surakarta ingkang sawiji surate Hendrik Semitsar Ngayogya tembungi punang surat karopisan banjur katur mring Kanjeng Gupernur-Gendral.

De heer Domis sprak rustig de volgende woorden tot de secretaris:

"Ik heb brieven ontvangen, twee expresse brieven, wilt u daar kennis van nemen. Een is van de heer Hendrik Mac Gillavry, de Resident van Soerakarta, de andere brief is van de heer Smissaert in Djokja. De inhoud van beide brieven dient onmiddellijk aan Zijne Excellentie de Gouverneur-Generaal te worden doorgegeven."

Op 25 Juli 1825 gaf de Resident van Soerakarta Mac Gillavry in zijn brief aan de Gouverneur-Generaal van der Capellen bijzonderheden over de omvang van de algemene ontevredenheid in de Mankanegara streken die aan Soerakarta grenzen.

"Ik wil voor Uwe Excellentie niet verheimelijken hoeveel moeite het mij kost om de aangrenzende Oostelijke gebieden van Djokja onder controle te houden. Indien de plaatselijke hoofden besluiten om zich bij de rebellen aan te sluiten, zal het onderdrukte volk onmiddellijk klaar staan om hen te volgen en de Chinezen zullen hun eerste slachtoffers zijn."

Tot zover het relaas van Peter Carey.

Hendrik was intussen lid geworden van het Bataviasche Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Opvallend in zijn geschriften is zijn grondige kennis van de historie, niet alleen van Java en zijn vorstenhuizen, maar ook van andere oude Oosterse en Amerikaanse culturen. Hieruit blijkt niet alleen dat hij de toen moderne filosofen als Montesquieu gelezen had, maar ook dat hij de Griekse klassieke schrijvers kende. Uit de Latijnse teksten die hij in zijn publikaties gebruikte, kan men afleiden, dat hij ook deze taal beheerste. Maar ook blijkt een diepgaande kennis van inheemse talen, zoals het Javaans en het Kawisch. Hij maakte de zeer interessante opmerking, dat in de wereldgeschiedenis alleen de Germanen bij hun veroveringen telkens weer de fout hebben gemaakt om de eigenaren van grond in veroverde gebieden die grond niet in eigendom te laten, maar hen deze eerst af te nemen en later weer in leen terug te geven. Hierdoor werd een verhouding van leenheer tot leenman geschapen, die door de meesten als zeer grievend werd ervaren. Ook de Kelten hebben daar, zoals bekend, altijd veel moeite mee gehad. Deze buitengewone kennis van de historie moet hij zich door zelfstudie tussen zijn drukke, verantwoordelijke en goed uitgevoerde werkzaamheden hebben bijgebracht. In het Koninklijk Instituut voor Taal, Land- en Volkenkunde te Leiden berusten enige schrifturen van of over Hendrik. Foto-kopiën hiervan liggen in het familie archief.

Allereerst is daar een alleraardigst opstel van E. de Waal, getiteld: "Verhaal van een togtje naar de vallei van Sello en de Mar-Api, gedaan door de Heeren P. Markus (de latere Gouverneur-Generaal van 1841 tot 1844), S. van de Graaf, H. Mac Gillavry en H.G. Nahuys in September 1820." Hier komt Hendrik van een heel andere kant naar voren, namelijk als een sportief en avontuurlijk man! Vervolgens, nog in zijn eerste periode als resident van Soerakarta, een ongedateerd stuk, "Inhoudende een becommentarieerde verklaring van een zekere Paulus Daniël Portier, opziener der vogelnestklippen aan het Zuiderzeestrand (van Java) houdende een verhaal van zijn wedervaren gedurende zijn gevangenschap bij de muitelingen (aanhangers van Dipo Negoro) tijdens den Java-oorlog."

Dan zijn er nog twee lijvige rapporten van zijn hand, één gedateerd 21 April 1830 als resident van Sumatra's Westkust, omtrent de handel van deze streek, en het "Jaarlijksch verslag over 1832 van 25 Julij 1833" wederom als resident aan het Hof van Soerakarta, na zijn rehabilitatie. In 1834 was het weer mis. Toen werd hij ervan beschuldigd zijn broer, die toen eerste commies was bij het residentiekantoor te Djocjakarta, te hebben willen beschermen toen deze ervan werd beschuldigd met de kas van genoemd kantoor geknoeid te hebben. Ook werden Hendrik nu plotseling andere zaken verweten, zoals het voor eigen gebruik behouden van een kostbaar tapijt, dat de Gouverneur-Generaal voor de Soesoehoenan bestemd had. Dit begon verdacht veel op roddelpraat te lijken, hetgeen in die tijd in hoge kringen in de koloniën wel meer voorkwam. Hij trok hieruit de enige juiste conclusie en vroeg nog in dat zelfde jaar ontslag aan, hetgeen hem "eervol" werd verleend. De aantijgingen bleken dus niet bewezen te kunnen worden. Ook William, de hoofdpersoon in dit drama, hervatte na een aantal jaren zijn ambtelijke loopbaan. Hij werd in 1877 op 72 jarige leeftijd eveneens eervol ontslagen. Achteraf bezien blijkt de rel van 1834 een storm in een glas water geweest te zijn. Maar het heeft wel veel leed bij de betrokkenen veroorzaakt. Hendrik Mac Gillavry overleed geheel onverwacht de 15e Februari 1835, 37 jaar oud aan de cholera. Hij werd begraven bij het grote landhuis Tjitrap twintig kilometer ten Noord-Oosten van Buitenzorg, waar een eenvoudig grafmonument voor hem werd opgericht. Hij kwam hier graag en was zeer bevriend met de eigenaar Augustijn Michiels, ook wel Majoor Jantje genoemd. Dadelijk wat meer over Tjitrap, niet alleen om een indruk te geven van het amusementsleven op Java in die tijd in het algemeen, maar ook een beetje van dat van Hendrik in het bijzonder.

Zijn vrouw Anna Theodora Maurisse, die bij de plotselinge dood van haar man in verwachting was van haar zevende kind, bleef zoals uit haar brieven uit die tijd blijkt, heel verdrietig en ook wat verbitterd achter bij alle lasterpraat die de laatste tijd over haar man was uitgestrooid. Zij was bovendien ineens in heel moeilijke financiële omstandigheden terecht gekomen. Er is terecht veel aandacht besteed aan Hendrik,maar wat voor vrouw was deze Anna eigenlijk? Van uiterlijk donker met bijna Oosterse gelaatstrekken, terwijl zij geen druppel Indisch bloed had. In de jaargang 1938 van "Nederland's Patriciaat" alsook enkele bladzijden terug in dit boek werd gepubliceerd, in Indië werd gemaakt. Misschien ook door het vele Franse bloed dat zij had. Uit directe overlevering is weinig over haar bekend. Uit enkele brieven van haar, die bewaard gebleven zijn, iets meer. Zij heeft haar man trouw in lief en leed bij gestaan, hem door dik en dun geholpen en verdedigd waar zij kon. Zeker in zijn moeilijke jaren toen iedereen hem in de steek scheen te laten. Hieruit zou dus kunnen worden afgeleid dat zij hem zeer was toegewijd en dat zij een gelukkig huwelijk hadden. Zij maakte de indruk zeer doortastend, misschien wat bazig en driftig geweest te zijn. Het schijnt dat eens, toen een van haar slavinnen haar ingewikkeld krullenkapsel niet naar haar wens kon plooien, zij een schaar greep en met enkele driftige bewegingen de weerbarstige krullen afknipte. Helaas is niet bekend wat zij toen haar slavin heeft toegeroepen!

Op 21 Juli 1849 schreef zij onder de volgende brief van haar dochter Louise nog enkele regels aan haar tweede zoon Henri, ter gelegenheid van de geboorte van haar tweede kleinkind, de eerste kleinzoon en stamhouder Henry Donald, waarover straks veel te vertellen zal zijn: Louise Mac Gillavry aan haar broer Henri: 21 Juny 1849 te Solo:

"Hoe maakt het mijn kleine neefje en hoe zal hij in de wandeling genoemd worden? Als Mama beter is, zal Haar Ed. Louise (Henri's echtgenote) schrijven. Maak haar intusschen Ma- ma's hartelijke wens. Groet haar ook van mij en zoen Uw zoontje voor Uwe zuster Louise." Anna Theodora Mac Gillavry-Maurisse aan haar zoon Henri: "Laat Louise toch niet zoo gek zijn om haar kind aan een min te geven. Zij is jong genoeg om het zuigen uit te houden. Als Gij mij in het laatst van het jaar een bezoek kunt komen geven, dan zal zulks mij zeer aangenaam wezen. Welligt dat ik dan met U mee ga, maar om alleen de reis te doen, hier ben ik gandsch onbekwaam voor en reken hier dus nimmer op. Adieu, Uw Moeder."

Twee maanden later was zij overleden zonder ooit nog eens in Nederland terug geweest te zijn. Als hommage aan Hendrik volgt dan nu het verhaal over Tjitrap, dat werd ontleend aan het boek "Indische landhuizen en hun geschiedenis" door V.I. van de Wall: Landheer, eigenaar dus van Tjitrap was in de eerste decennia van de negentiende eeuw Augustijn Michiels, een schatrijke Mardijker, oftewel Majoor Jantje, zoals hij meestal genoemd werd. Mardijkers waren afstammelingen van gekerstende vrijgelaten slaven, hoofdzakelijk afkomstig uit de bezittingen in Voor-Indië. De eerste Nederlands-Indische Mardijkers waren krijgsgevangen Voor-Indische soldaten van de Spanjaarden en Portugezen. Dat zij niettegenstaande hun donkere huidskleur en bescheiden afkomst in de tijd van de V.O.C. tot grote welvaart konden komen en gemengde huwelijken sloten, geeft toch wel een bijzondere kijk op het bestuur van de Compagnie en de Indische samenleving uit die tijd! Overigens hadden enkele Gouverneurs-generaal toen ook al een uitgesproken Oosters uiterlijk en een donkere huidskleur. Van een vermeende rassen- of klassediscriminatie was dan ook echt geen sprake.

Augustijn Michiels was majoor der Papangers (inheemsen uit deze streek). Behalve van Tjitrap was hij nog eigenaar van Tjileungsir, Klapanoenggal, Tjipamingkis, Tjimapag, Tanahbaroe, Tjibaroesa en Nenggewèr. Hij zetelde in alle hoogheid in zijn stadspaleisje "Semper Idem" aan de Meyegracht in de oude Bataviaanse binnenstad of op Tjitrap. Hij leefde in een nauwelijks meer voorstelbare grootse koloniale stijl. Zijn gastvrijheid grensde aanhet ongelooflijke. Het aantal gasten dat bleef logeren, bestond meestal uit veertig of meer families. Er waren drie orkesten, die vrijwel doorlopend, dag en nacht in touw waren. Allereerst het huisorkest, dat klassieke Europese muziek ten gehore bracht. Dan het militaire muziekkorps van de Papangers en tenslotte het Chinese orkest, dat zich bediende van gillende fluiten, dreunende bekkens en de traditionele gamelan. Het dagelijkse feest eindigde altijd met een Indische dans, de zogenaamde tandak-partij. Majoor Jantje, gestoken in Javaans costuum, opende de dans met een van zijn slavinnen. Zijn gasten volgden dan zijn voorbeeld met een keur van danseressen, dat te hunner beschikking stond, de zogenaamde ronggengs. Omdat daar de schoonste slavinnen van de majoor toe behoorden mochten alleen de ongehuwde mannelijke gasten aan deze dans deelnemen. De dagelijkse diners kenmerkten zich door een ongelooflijke overdaad. Het normale personeel op Tjitrap bestond uit 320 mannen en vrouwen. Deze rijkste grondeigenaar en landheer op Java, de Weledele Manhafte Heer Majoor Augustijn Michiels, zoals hij officieel werd genoemd, sloot op latere leeftijd vriendschap met de toenmalige Gouverneur-generaal du Bus de Gisignies (1826-1830) waar Hendrik zoveel moeilijkheden mee had. Hij bouwde voor deze illustere vriend een lustverblijf op de terreinen van Tjitrap, waar de landvoogd meermalen per jaar graag gebruik van maakte. Deze stijl van leven zal de Waals-Belgische edelman du Bus wel bevallen hebben. Tjitrap kreeg hierdoor een enigszins deftige hofsfeer, tot groot verdriet van vele habituele feestgangers, die zich hierin niet zo thuis voelden.

Op 27 Januari 1833 overleed op 65 jarige leeftijd Majoor Jantje, de roemruchte majoor der Papangers en de laatste van de Mardijkers. Een sympathiek mens, zegt van de Wall, goedhartig en gul, een weldoener voor zijn verwanten en vrienden, een landheer in grote stijl van leven en laten leven. Zijn enige wettige dochter Agraphina Augustina was zijn universele erfgename. Augustina, de geadopteerde dochter van zijn slavin, de later vrije Balinese vrouw Thalia, trouwde met Johan Willem Arnold. Zij is de stammoeder van het in Indië zo bekende geslacht Arnold, eigenaren en landheren van de Michiels-Arnold landen. In 1979 verscheen over deze personages een roman van de hand van Johan Fabricius met de titel "De zwaluwen van Klapanoenggal".

Hendrik Mac Gillavry had behalve vier zonen met nageslacht, waarop aanstonds uitvoerig zal worden ingegaan, ook twee dochters. Ook zij verdienen natuurlijk een plaats in dit boek.

Louise Annette Elisabeth Theodora, de oudste van de twee, donker van haar en oog, was zeer tegen de zin van haar moeder verloofd met Jacobus van de Wiel, een opziener van Waterstaat. Zij liet de dochter op haar sterfbed beloven, de verloving te verbreken en gaf haar daarvoor als troost het kostbare paarlen collier, waarmee zij op haar staatsieportret is afgebeeld. Toch trouwde Louise enkele maanden na haar moeders dood met Van de Wiel. Hij was niet tevreden met zijn eenvoudige betrekking, hij voelde zich tekort gedaan door zijn werkgever, het Nederlands-Indische Gouvernement, en was dientengevolge vervuld van wrok. In 1852 werd hij uit Gouvernementsdienst ontslagen. Hij ontwikkelde het avontuurlijke en originele plan om het Gouvernement met de wapenen in de vuist te gaan bestrijden. Om zijn eerste uitgaven te kunnen dekken, overviel hij zijn zwager Henri Mac Gillavry. Gemaskerd en onder dreiging met een pistool dwong hij hem zijn brandkast te openen en de inhoud daarvan af te geven. Aangezien dit op de dag voor de maandelijkse salarisbetaling gebeurde, was de buit groot. Hij rustte nu een zeeroversvloot uit, die hij commandeerde onder de schuilnamen: "de Vent, Monseigneur de Mérode, Dumouriez en Damirat". Hij opereerde ondermeer in de straat van Malakka. Vervolgens sloot hij een verbond met de Tangkoe Besar van Kampar tegen de sultan van Biak en het Gouvernement. In grote stijl riep hij de hulp in van de Britse koloniale regering in Singapore. Van zijn vriend de Tangkoe Besar kreeg hij stukken land op Sumatra ten geschenke. Hier sleet hij de rest van zijn verdere leven zonder dat iemand meer iets van hem hoorde. Al deze avonturen zijn officieel geregistreerd en terug te vinden in de archieven van het Ministerie van Marine, nu van Defensie. Louise stierf 48 jaar oud in het krankzinnigengesticht van Lawang op Java. Hoezeer bleek haar moeder gelijk gehad te hebben! Toch trouwde Louisa Henriette van de Wiel, die in 1854 uit dit wat wonderlijke huwelijk geboren was, in 1869 heel keurig met de Rotterdamse patriciërszoon Benjamin Alexander Suermondt. Een dochter uit dit echtpaar, Eleonora, was de vrouw van de beroemde hoogleraar in de sterrenkunde te Leiden Prof. Dr. Willem de Sitter. De jongste dochter van Hendrik en Anna, de mooie blonde blauwogige Elisabeth Anna Espérance, had een heel ander soort man. Zij was getrouwd met Jan Gerrit Bennink, officier bij de militaire administratie, betaalmeester der eerste klasse, gepensionneerd met de rang van luitenant-kolonel-intendant. Hij was in de stieflijn verwant aan Augustijn Michiels, de hiervoor genoemde Majoor Jantje. Bennink's moeder Wendelina van Kempen, hertrouwde na de dood van haar man met Petrus Henricus Menu. Dit was een militair van groot formaat, die zich in Europa al bijzonder onderscheiden had, voordat hij in Indië arriveerde. Naar hem werd de Gang Menu, een bekende straat in de Bataviaanse binnenstad genoemd. Na Wendelina's dood hertrouwde hij met de eerdergenoemde Agraphina Augustina Michiels, de enige erfgenaam van Majoor Jantje, en weduwe van Jacobus Anthony Beyvanck. Zo kwam hij in het bezit van Tjitrap. Elisabeth Bennink stierf bij de bevalling van haar eerste kind op 5 Juli 1847. Het was het eerste kleinkind van Hendrik en Anna.

William followed Brother HENDRIK to the East Indies in 1823, held various Government jobs and retired in 1877.

As exuberantly prolific as his brother's branch was, so tragically sparse and unlucky was his. He had ten (10!) children by his wife, five sons and five daughters. Only two of his daughters made it to marriage and only one had offspring for sure, the other maybe.

Of his five sons only two reached adulthood and offspring is listed only for the eldest, Johan Willem Donald Alexander, who had five daughters and one son Willem Donald nick-named 'Zwarte (Black) Donald' (who was a frequent and welcome visitor at Djati Roenggo).

Only one of the daughters married. 'Zwarte Donald' had three sons, of whom the first died at the age of seventeen. The second son, Adriaan Cornelius Henry, was murdered with his entire family by Bersiap rampokkers (terrorists) on 12 October 1945; only the baby, Tatiana Alexandra, survived and perhaps still lives.

Per Uncle Edwin in 'From Dunmaglass to Djati Roenggo', the youngest son, William Justus, was also murdered by terrorists in July 1944, but this is wrong. He and a fellow prisoner escaped from Japanese prison camp, but were caught and executed on 15 December 1944.

Ingrid Frank

In 1828 was Hendrik's jongere broer William uit Zwolle overgekomen. Hij leek uiterlijk noch innerlijk op zijn oudere broer. Het uiterlijk had hij van zijn vader. Blond, felle blauwe ogen en een heel blanke huid. Hij miste ook het scherpe verstand en het doorzettingsvermogen van Hendrik. Hij begon zijn loopbaan als ambtenaar op wachtgeld. Begin 1829 werd hij benoemd tot collecteur der tolpunten van de tweede klasse in de residentie Soerakarta ter beschikking van de resident. Broer Hendrik was toen nog resident te Padang, zodat deze benoeming onmogelijk aan diens protectie te danken geweest kan zijn. In 1830 werd hij adjunct-collecteur van de bazars te Soerakarta, in 1831 lid van de subcommissie onderwijs aldaar, vervolgens eerste commies bij het residentiekantoor te Djokjakarta, waar hij in 1834 werd gesuspendeerd. In 1851 werd hij als commies geplaatst op het residentiekantoor te Soerakarta. Tenslotte werd hij in 1869 aangesteld tot vendumeester, tevens kassier en boekhouder bij het vendu-departement te Soerakarta. In deze functie werd hij op 4 April 1877 eervol ontslagen. Hij overleed anderhalf jaar later en heeft dus maar kort van zijn bescheiden pensioen kunnen genieten. Hij was in 1830 met Johanna Geertruida Senstius getrouwd. Zij kregen tien kinderen waarvan er zes jong overleden. Een zoon Johan Willem Donald Alexander zette deze tak voort. Hij was officier in het K.N.I.L. en getrouwd met Hendrika Everdina Rijkschroef, een dochter uit een oud perkeniersgeslacht van de Molukken, de eerste nederzetting van de Nederlanders in het Oosten. Perkeniers waren eeuwenlang de eigenaren van de kruidentuinen, waar de beroemde specerijen werden gewonnen waarvoor de V.O.C. een monopolie had. Hun zevende kind was een zoon, William Donald, in de familie Zwarte Donald genoemd. Evenals zijn vader was hij officier in het K.N.I.L. en later directeur van de strafgevangenis te Semarang. Hij had veel contact met de afstammelingen van Hendrik en was een welkome en regelmatige gast in het latere familiehuis op Djati Roenggo. Hij had drie zonen. De oudste, Donald Alexander, overleed op zeventienjarige leeftijd. Van de twee jongsten werd Adriaan Cornelis Henry in 1945, na de Japanse bezetting van Indië, gedurende de zogenaamde bersiap periode, door rondtrekkende Javaanse moordenaarsbenden met zijn gezin afgeslacht. Een klein meisje, Lietje, werd hierbij over het hoofd gezien. William Justus werd door de Japanners geëxecuteerd. Hij had een dochter Alexandra Tatiana. Zij zijn de enigen, die van deze tak nog in leven zijn. De afstammelingen van William in de mannelijke lijn zijn uitgestorven.

Zircon - This is a contributing Drupal Theme
Design by WeebPal.