Eerste tak

Bron:

  • Van Dunmaglass tot Djati Roenggo (Mr. E.J. MacGillavry)

Willem Joan Julius was de oudste zoon van Hendrik en Anna. Hij groeide op tot een knappe man met de donkere haren en de bruine ogen van zijn ouders. Opvallend was de lieve uitdrukking op zijn gelaat. Hij was pas veertien jaar oud toen zijn vader overleed. Dientengevolge viel diens gezin plotseling uit een zeer vooraanstaande en bevoorrechte positie terug tot uiterst benarde, om niet te zeggen armoedige omstandigheden. Veel te vroeg kreeg hij de volle last op zijn schouders van alle zorgen en de verantwoordelijkheid voor zijn moeder, zijn broertjes (waarvan de jongste op het moment van zijn vaders dood nog geboren moest worden!) en zijn twee zusjes. Daardoor was hij de enige van de jongens, die nooit een kans heeft gekregen om in Nederland te gaan studeren en daar zelfs nooit is geweest. Hij heeft zich dan ook maatschappelijk niet zo kunnen ontplooien als zijn jongere broers. Dit heeft natuurlijk ook voor zijn nageslacht gevolgen gehad.

Misschien zijn de grote zorgen, die hij te vroeg in zijn jeugd heeft moeten verwerken, er de reden van geweest, dat hij later op een veilige afstand van de stormen des levens is gebleven en allerminst gebrand was op grote verantwoordelijkheden. Vriendelijk en zachtmoedig was hij. Zeker geen mens die vol eerzucht naar de toppen van de maatschappij wilde reiken. Hij werd secretaris van de weeskamer te Soerabaja en daarna secretaris van de kleine en tamelijk onbelangrijke residentie Madoera. "Nette" betrekkingen, die niet veel drukte of zorgen gaven, maar dan ook zeer bescheiden werden gehonoreerd.

Hij had door de "Chinees" (alle timmerlieden in Indië waren altijd Chinezen) een bijzondere stoel naar eigen vinding laten maken. Hierop konden zijn vrouw en hijzelf half zittend, half liggend tegen elkaar aanleunen. Hieruit kan een aantal conclusies worden getrokken. Willem moet inventief zijn geweest, een bespiegelende aard hebben gehad en veel van zijn vrouw gehouden hebben. Deze vrouw was Wilhelmina de Chauvigny de Blot. Mijntje voor de familie. Hoe zij er uit zag is onbekend. Te oordelen naar het uiterlijk van haar dochters is men geneigd te zeggen: "Een mooi Indisch meisje." Uit genealogisch oogpunt had zij een uiterst merkwaardig en daarom interessant voorgeslacht. Haar grootvader Frangois de Chauvigny de Blot, telg uit een oud-adellijk geslacht van Franse graven uit de Bourbonnais (de omgeving van Vichy), had zich in de tweede helft van de achttiende eeuw in Amsterdam gevestigd als toneelspeler en koopman. Haar moeder Cornelia Juliana van Stralendorff stamde uit een zeer aanzienlijk adellijk geslacht uit Pommeren. Aangezien Prins Claus ook voorouders heeft van deze naam, kunnen al haar afstammelingen, dus ook alle Mac Gillavry's van deze tak, zich de bloedverwanten van hem en zijn kinderen noemen. De ene grootvader van laatstgenoemde Cornelia, Friedrich Christoffer von Stralendorff, opperkoopman van de V.O.C. en resident aan het Hof van Soerakarta, verkreeg voor zijn zes kinderen bij de Javaanse vrouw Sintès brieven van wettiging van de Gouverneur-generaal. Een daarvan was Ditloeff Frederik, Cornelia's vader. Haar andere grootvader, Andries Hartsinck, zoon uit een Amsterdamse regentenfamilie, eveneens opperkoopman van de V.O.C. en ook resident aan het Hof van Soerakarta, verkreeg voor zijn kinderen bij de Javaanse vrouw Sayo Boerat brieven van wettiging van de Gouverneur-Generaal Daendels. Een daarvan was Johanna Suzanna Hartsinck, Cornelia's moeder. Haar beide ouders waren derhalve half Javaans en zij dus ook. Haar dochter Mijntje de Chauvigny de Blot dientengevolge een kwart. Vandaar de veronderstelling dat het inheemse bloed bij deze laatste duidelijk te zien geweest moet zijn.

Eerdergenoemde Johanna Suzanna Hartsinck (Mijntje's grootmoeder dus) had een tante (zuster van haar vader Andries Hartsinck) met gelijke voornamen en uiteraard achternaam, die getrouwd was met de Belgische graaf Ferdinand Louis Frangois Michel d'Oultremont et de Wégimont. Hun dochter Henriette, de volle nicht dus van Johanna Suzanna Hartsinck, was de tweede (morganatische) echtgenote van koning Willem I. Dank zij deze Jetje Dondermond, zoals zij in Nederland algemeen werd genoemd, (blijkbaar was zij niet op haar mondje gevallen), zijn de afstammelingen van het echtpaar von Stralendorff-Hartsinck, dus alle leden van de oudste tak van onze familie, aanverwanten van het Huis van Oranje Nassau.

Mijntje overleed in 1863 op 38 jarige leeftijd en haar man zeven jaar later, 49 jaar oud. De zeven kinderen die in hun korte huwelijk van dertien jaar waren geboren, bleven in de grootst denkbare armoede achter. Twee zonen en vijf dochters waren het. De meisjes leken in karakter veel op elkaar. Lief, zacht, inschikkelijk en meegaand zoals de meeste Indische vrouwen. Vier van de vijf hadden een opvallend knap uiterlijk. Toen hun vader overleed was het oudste kind, Theodore Willem Felix, achttien jaar en het jongste kind pas acht jaar oud. Na veel ellende en allerlei omzwervingen kwamen de meisjes en de jongste zoon in een weeshuis terecht. In die tijd was dat een bewijs van de bitterste armoede.

Men vraagt zich dan onwillekeurig af, waar dan wel de spreekwoordelijke saamhorigheid en hulpvaardigheid van de familie bleef. Wat deden Willem's jongere broers en zijn nog enige levende zuster voor zijn kinderen, hun neefjes en nichtjes in deze ellendige omstandigheden? Het antwoord kan kort zijn: "niet veel". Waarom niet? Aangenomen moet worden, dat zij daarvoor zelf te diep in de zorgen zaten. Op het moment van Willem's overlijden, begin 1870, had zijn broer Henri grote financiële zorgen. Robert's vrouw Emma had enkele maanden tevoren na zes jaar huwelijk haar zesde kind ter wereld gebracht. Zij overleed ruim een jaar daarna. Het ligt voor de hand dat haar gezondheid toen veel zorgen gaf.

Theo, de jongste, was in 1863 om gezondheidsredenen naar Nederland teruggekeerd en kon van daaruit weinig doen. Louise was een aantal jaren tevoren verlaten door haar man, die uit zeeroven was gegaan. Zij werd toen verpleegd in het krankzinnigen-gesticht van Lawang, waar zij in 1874 zou overlijden. Het was een nare tijd voor de hele familie! Theo, Willem's oudste zoon, was met zijn achttien jaren groot genoeg om aan de slag te gaan. Hij moest natuurlijk van een veel lager vlak beginnen dan zijn meer bevoorrechte neven uit de jongere takken. Het is dan ook geen wonder, dat hij het minder ver in het maatschappelijke leven heeft kunnen brengen dan zij. Hij werd opziener in de bergcultures op Java. Zijn werk verrichtte hij met veel toewijding. Hij was een ernstig man, hetgeen aan zijn uiterlijk goed te zien was. Hij was streng in de opvoeding van zijn elf kinderen, acht zonen en drie dochters. Een van die zonen Gilles Richard George had veertien kinderen. Ook de meeste andere zonen van Theo waren rijk met mannelijk nageslacht gezegend. Dientengevolge stamt ongeveer de helft van de nu levende familieleden van deze Theo af. Hij had een rustige, evenwichtige echtgenote, Caroline Frederica Sauselé. Haar astmatische aanleg en doorlopende kinderproduktie dwongen haar trouwens wel het kalm aan te doen. Gedurende de acht jaren, dat zij weduwe was, woonde zij bij het grote gezin met veertien kinderen van haar zoon Gilles en zijn vrouw. In dit bewerkelijke huishouden, waar onvoldoende geld was voor veel hulp, moet haar assistentie bijzonder welkom zijn geweest!

Eduard Willem Louis, de jongste van de twee broers, was een groot liefhebber van planten en bloemen. Een planter in hart en nieren, zoals zovelen van zijn familieleden. Hij was administrateur van de onderneming Kalisari boven Blitar in Oost-Java, waar koffie, thee en cacao werden verbouwd. Bovendien had hij een bedrijf in Blitar zelf, dat zich bezig hield met de handel in, en de export van het toen nieuwe produkt copra. Dit is het gedroogde vruchtvlees van de klappernoot, dat gebruikt wordt voor de bereiding van plantaardige olie. Na extractie van de olie dient de rest voor veevoer. Eduard was evenals zijn broer streng en rechtvaardig. Hij hechtte veel waarde aan het in acht nemen van de goede manieren onder alle omstandigheden. In het bijzonder voor zichzelf. Deze eigenschappen komen in de familie vaak voor. Aan de ene kant was hij enigszins in zichzelf gekeerd, bijna eenzelvig van aard. Er moest veel gebeuren voordat hij zich voor een ander openstelde. Hij leek daardoor wat stug en afstandelijk. Deze indruk werd nog versterkt door een scherp observerende blik uit zijn helderblauwe ogen. Anderzijds was hij bijzonder goedhartig en gul. Hij had veel over voor iemand die in moeilijkheden verkeerde en kon geen bedelaar voorbij gaan zonder hem iets in de hand te stoppen. Hij bezat nog wat laatste resten van de oude Keltische helderziendheid. Vaak voelde hij al bepaalde gebeurtenissen te voren aankomen. Kort voor zijn dood kondigde hij aan, terwijl hij ogenschijnlijk volkomen gezond leek, dat er iets bijzonders  ging gebeuren. Hij ging uitgebreid baden, liet zich schone kleren aanreiken en na zich zo met uiterste zorg gesoigneerd te hebben, ging hij rustig in zijn stoel zitten peinzen. Kort daarop overleed hij aan een hartaanval. Hij was pas 61 jaar oud. De jongste van zijn acht kinderen, een meisje dat zijn lieveling was, was toen pas zes jaar.

Zircon - This is a contributing Drupal Theme
Design by WeebPal.