Naschrift

Bron:

  • Van Dunmaglass tot Djati Roenggo (Mr. E.J. MacGillavry)

De tweede wereldoorlog heeft over de familie MacGillavry mateloze ellende, verdriet en ontzaglijke moeilijkheden gebracht. Wat betreft de toen in Nederland wonende familieleden, bleven de slachtoffers tot drie beperkt.

William Mac Gillavry (uit de derde tak) stierf gedurende de hongerwinter van 1944-1945 omdat er geen versterkende middelen, onontbeerlijk voor zijn herstel, meer verkrijgbaar waren. Theodoor Bernard van Itallie, echtgenoot van Nancy Wilhelmina MacGillavry (uit de vierde tak) kwam bij een bombardement om het leven. Gelukkig heeft Ned MacGillavry niet meer meegemaakt dat zijn mooie huis aan de Ernst Casimirlaan 23 op last van de Duitse overheid begin 1943 werd afgebroken. Het lag in de lijn van een tankgracht, die dwars door den Haag moest worden aangelegd als onderdeel van de zogenaamde Atlantik Wall. Op deze plaats staat nu een vleugel van het Nederlands Congresgebouw. In Maart 1945 bombardeerden de Engelsen bij vergissing de dichtbevolkte Haagse wijk het Bezuidenhout, in plaats van het door de bewoners ontruimde Benoordenhout. Hierdoor werd het huis van Amy Mac Gillavry, weduwe van Louis van Loon, aan de Carpentierstraat 42, waar zoveel gezellige familiebijeenkomsten plaats hadden gevonden, verwoest. Bij dit bombardement kwam haar schoonzoon Ir. Thonny van der Moore, man van haar dochter Wies, om het leven. Oneindig veel zwaarder hebben de familieleden in Indië het gehad. Vroeger of later kwamen zij allemaal in gevangenkampen terecht en werden als dwangarbeiders onder de meest vernederende omstandigheden te werk gesteld. Ook de vrouwen en kinderen. Om er een goede indruk van te krijgen hoe verschrikkelijk erg dit was, verdient het aanbeveling om de boeken die Annemie Mac Gillavry-Verlinden hierover schreef eens te lezen. Alle drie: "Je kunt niet altijd huilen", "Ik heb Uw vader gekend" en "Syn-dromen" berusten in het familiearchief. Menigeen heeft zich onder deze omstandigheden buitengewoon moedig gedragen.

Vele familieleden zijn terecht gesteld of door andere oorlogshandelingen omgekomen. Voornamelijk werden hierdoor de eerste en tweede tak getroffen. Hieronder volgt de trieste lijst:


Henry Robert Donald

Uit de eerste tak:

  • Henry Robert Donald - door de Japanners geëxecuteerd. Bijgezet op het ereveld Menteng Poelo.
  • Louis Willem Eduard - bij een krijgsgevangenentransport van Java naar Malakka op 18 September 1944 aan boord van de Junyo Maru getorpedeerd voor de kust van Benkoelen en verdronken. Slechts 850 van de 6500 krijgsgevangenen overleefden deze scheepsramp.
  • Louis Theodoor - overleden in Japanse krijgsgevangenschap.
  • Willy Edmond-door de Japanners geëxecuteerd. Bijgezet op het ereveld Antjol.
  • Emile Willem Leonard - door de Japanners geëxecuteerd. Bijgezet op het ereveld Antjol.
  • Theodoor Willem Frederik - overleden in het Kawasiki kamp bij Tokio.

Uit de tweede tak:

  • Johanna Frederika Mac Gillavry-de Gelder - door de Japanners als waardeloze bejaarde in een rivier bij Buitenzorg verdronken.
  • Louise Zoë Juliette Münch-Mac Gillavry - overleden door opzettelijke verwaarlozing van haar ernstige maar niet ongeneeslijke ziekte door een inheemse arts en haar echtgenoot Lodewijk Karel Philippus Münch - die door de Japanners in de gevangenis werd doodgehongerd.
  • Suzette Adrienne Burghard-Mac Gillavry - door uitputting in het Ambarawa vrouwenkamp, niet ver van Djati Roenggo, in Batavia overleden.
  • Richard van den Worm - echtgenoot van Wilhelmina Eleonora Mac Gillavry, overleden in een Japans krijgsgevangenenkamp bij Bandoeng.
  • Charles Benjamin - door de Japanners geëxecuteerd. Bijgezet op het ereveld Palembang.
  • Dunmaglass Henry Donald - door de Japanse Kempeitai doodgemarteld op beschuldiging van sabotage.
  • Frans Lübeck - echtgenoot van Cristiene Eduarde Fedora Mac Gillavry, door Javaanse terroristen in 1950 vermoord.

Uit de derde tak:

  • Johan Ballego - echtgenote van Amy Berta Mac Gillavry, overleden tengevolge van verschrikkelijke ontberingen doorstaan in het gevangenkamp Pakan Baroe.

En tenslotte de laatste mannelijke afstammelingen van William Mac Gillavry (Hendrik's jongere broer) en Johanna Geertruida Senstius:

  • Adriaan Cornelis Henry - met zijn gehele gezin door Javaanse misdadigers vermoord. Alleen een dochtertje, Lietje, geboren op 19 Juli 1945, pas enkele maanden oud, overleefde de slachtpartij omdat zij niet werd opgemerkt.
  • William Justus - door de Japanners geëxecuteerd.

In Augustus 1945 leek eindelijk de nachtmerrie van de Japanse bezetting voorbij te zijn. De Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en Nagasaki leidden tot de Japanse capitulatie op 15 Augustus. Dat was dan ook hoog tijd, want als de oorlog nog enkele maanden langer had geduurd, zouden de meeste krijgsgevangenen, mannen, vrouwen en kinderen door uitputting en/of mishandeling zijn omgekomen. Dat zouden er honderdduizenden geweest zijn. Afgezien nog van de millioenen slachtoffers, ook aan geallieerde zijde die een verovering van de door de Japanners bezette gebieden en vooral van hun eigen eilanden zou hebben gekost. Bovendien zou deze hun steden volledig hebben verwoest en geleid hebben tot de totale ondergang van het Japanse volk als natie. Ook is gebleken dat de Japanse commandanten van hogerhand het bevel hadden gekregen om bij de nadering van geallieerde troepen alle Europese gevangenen te doden. Dit is ook enige malen gebeurd. Toen de geïnterneerden zich vol vreugde opmaakten om zich met hun gezinnen te gaan herenigen en samen de bevrijding te gaan vieren, bracht de zogenaamde bersiap-periode zo mogelijk nog grotere verschrikkingen voor hen mee. De pemoeda's, de door de Japanners opgeleide moordenaarsbenden van opgehitste jongeren, hebben, waar zij daartoe de kans kregen, de Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen en met hen sympathiserenden, op de walgelijkste manier afgeslacht. De hierdoor omgekomen familieleden zijn hiervoor herdacht. De toenmalige president van de nieuwe Indonesische republiek Soekarno, confisceerde in 1956 en 1957 alle bezittingen van de Nederlandse bedrijven in zijn land, ter waarde van vele miljarden guldens, zonder een cent schadeloosstelling. Hij wilde hierdoor de overdracht van Nieuw Guinea afdwingen. Toen dit niet hielp werden alle Nederlandse staatsburgers in Indië als pressiemiddel gebruikt. Zij moesten op korte termijn kiezen tussen de Indonesische nationaliteit of onmiddellijk vertrek, met achterlating van al hun bezittingen. Op een enkele na, maakten alle familieleden dezelfde keus. Vertrek! Zij verlieten zeer bewust hun geboorteland waarin zij na enige generaties diep geworteld waren. Vaak na een roerend afscheid van de inheemse bevolking, waar zij in de loop der tijden nauwe banden mee hadden gekregen. Zij gingen naar een voor hen volslagen onbekend land met een guur en winderig klimaat. Een in hun ogen stugge en onvriendelijke bevolking bleek niet het minste begrip te hebben voor de ontberingen die zij zo juist hadden doorstaan. Toch hebben zij zich in het algemeen op bewonderenswaardige wijze aan deze zo onaangename omstandigheden aangepast. Hiervoor verdienen zij groot respect!


Familie J.E. Mac Gillavry verlaat het oude Indië met m.s. Johan van Oldenbarnevelt (1958)

Dit was dan het einde van een veelbewogen en avontuurlijke episode van haast anderhalve eeuw van bijna de gehele familie Mac Gillavry in dit onvergetelijke land. Een land ook, waar dank zij het verstandige en humane bestuur van het Nederlands-Indische Gouvernement hongersnood en epidemieën waren uitgebannen en de heterogene inheemse bevolking onder Nederlandse leiding in vrede en veiligheid en in een zekere welstand kon leven. De eerste aanzet tot landelijk zelfbestuur, waar nadrukkelijk naar werd gestreefd, werd gegeven door de oprichting van de Volksraad op 18 Mei 1918. Van de 60 leden waren, zoals eerder vermeld, 30 inheemsen, 25 Nederlanders en 5 zogenaamde vreemde Oosterlingen. Het was dan ook geen wonder dat de Japanse luitenant-generaal Reikichi Tada in 1942 kort na de bezetting van Nederlands-Indië in een geheime nota aan het keizerlijk hoofdkwartier in Tokio kon melden: "De Nederlanders zorgden voor het Indonesische volk opmerkelijk goed. Zij hebben Nederlands-Indië ontwikkeld, de welvaart van de bevolking bevorderd en geholpen voedsel, kleding en een woning te verschaffen. Dit gebied mag een paradijs op aarde worden genoemd." Ook aan de andere "Indonesische" kant waren familieleden actief betrokken bij de dramatische gebeurtenissen van die tijd. Het is een merkwaardige speling van het lot, dat een van hen juist Anne Mathilde Mac Gillavry was, een kleindochter van de generaal Mac Gillavry, die bijna een halve eeuw tevoren een belangrijke bijdrage had geleverd tot de pacificatie van Atjeh. Verwonderlijk was dit overigens niet. William, de jongste zoon van de generaal, was getrouwd met Radèn Adjeng Zobeïda, een kleindochter van sultan Hamengkoe Boewono VII van Djokjakarta. Zij was dit hof ontvlucht, omdat zij zich niet kon schikken in de oude traditie, dat huwelijken werden geregeld zonder inspraak van de betrokkenen. Zij nam de naam aan van Ida Brenkman, naar de Nederlandse familie, waarin zij werd opgenomen. Hun dochter Anne Mathilde voelde zich aangetrokken tot de familie van haar moeder en trouwde met Raden Soenarjo Dipodiningrat, eveneens een telg uit de Djokja'se sultansfamilie. Hij werd na de stichting van de staat Indonesië officier in het jonge leger van de republiek en later militair attaché aan de Indonesische ambassade te Caïro, Rome en Rio de Janeiro. Beiden stammen af, hij zelfs van vaders- en moederskant, van de bekende sultan Amengkoerat IV. Deze sultan werd in 1719 door de V.O.C., na eindeloos geharrewar over de opvolging, op de troon van het oude rijk van Mataram geholpen. Hij had 32 kinderen, waarvan alle Soesoehoenans van Soerakarta, alle sultans van Djokjakarta en hun Rijksbestuurders de Mangkoe Negoro's en de Pakoe Alams afstammen. Het spreekt vanzelf dat zij haar man steunde waar zij kon, eerst bij zijn taak als officier en later bij zijn diplomatieke loopbaan. Ook hij brak na verloop van tijd met Soekarno, omdat hij het volstrekt oneens was met diens politiek. Zeer bewust en zeer principieel deed hij afstand van alle voorrechten en alle emolumenten die aan zijn belangrijke functie en zijn hoge afkomst verbonden waren.

William Justus Mac Gillavry, die hiervoor werd herdacht, was getrouwd met Tanja Dezentjé, dochter uit een oud-Indische familie, die verwant was aan het Hof van Soerakarta. Haar moeder was een Wit-Russin, die in 1917 voor de revolutie was gevlucht en over Siberië en China uiteindelijk in Indië was terechtgekomen. Deze Tanja was de zaak van de jonge Indonesische republiek zeer toegewijd en hield voor radio Djokjakarta vurige redevoeringen ten behoeve van de nieuwe staat. Meestal in het Frans, omdat zij in deze kringen de enige was, die deze taal vloeiend kon spreken. Later werd zij de secretaresse van Prof. Mohammed Hatta, de toenmalige vice-president van Indonesië. Het oude Indische familiehuis Djati Roenggo, met zijn prachtige tuinen en vijvers in de vorm van die in het park van Versailles, bestaat nog maar voor een klein gedeelte. Alleen de bijgebouwen zijn gespaard gebleven. Het administrateurshuis met zijn rijke familiehistorie is gedurende de bersiap-periode verbrand en niet meer opgebouwd. Het directeurshuis en de fabrieksgebouwen van de sigarettenfabriek in Ngabean trof een zelfde lot. Na Dunmaglass, na Pennyghael, na de Garenmarkt in Leiden, verdween dus ook Djati Roenggo.

Een stamhuis van de familie bestaat niet meer. Toch is het contact tussen de familieleden altijd levendig gebleven. De Schotten komen regelmatig bijeen op hun Ceilidhs (spreek uit: Kayley's) bijeenkomsten met lezingen, muziek en Schotse dansen, in het kader van de Clan Chattan Association te Edinburgh, waarvan Robert Mac Gillivray B.Sc.M.I.C.E. secretaris is. In Londen is hiervan enige tijd geleden een afdeling opgericht. Op de Clan Gatherings, die eens in de vier jaar door de Chief van de Clan Mackintosh op Moy Hall bij Inverness worden gehouden, zijn meestal ook Nederlandse vertegenwoordigers aanwezig, naast afgevaardigden uit Canada, de Verenigde Staten en Australië. In Nieuw-Zeeland is de Clan MacGillivray sterk vertegenwoordigd. In 1983 werd het vijftigjarig bestaan van de Clan Chattan Association luisterrijk in Inverness en op Moy Hall gevierd in aanwezigheid van de Chiefs van de Clans Mackintosh, Mac Pherson, Mac Bean en Shaw. De Nederlandse familie was met een delegatie van acht personen vertegenwoordigd. Ook zij heeft in haar geschiedenis altijd een grote saamhorigheid gekend. Men kwam regelmatig in kleinere of grotere gezelschappen bij elkaar, zowel in Nederland als in Indië. Nu iedereen weer in Nederland is teruggekeerd, is deze saamhorigheid eens te meer versterkt. De jaarlijkse reünies hebben een wat meer georganiseerd karakter gekregen met een steeds grotere uitbreiding. Oorspronkelijk waren zij alleen toegankelijk voor hen die de naam MacGillavry droegen of gedragen hadden en hun echtgenoten. Nu is iedereen welkom die een MacGillavry onder zijn of haar voorouders heeft. In Australië is naar dit voorbeeld eveneens een familievereniging opgericht, die regelmatig bijeenkomt. Sedert enkele jaren verschijnt er in Nederland enkele malen per jaar een familiekrant (nu de website - red.) met de naam "Dunmaglass!", de oude krijgskreet.

Denkend aan gemeenschappelijke familietrekken zou een grote liefde voor planten en dieren en de natuur in het algemeen genoemd kunnen worden. De familie Mac Gillavry heeft vele leden gekend met een uitzonderlijk goed verstand, dat bij sommigen het geniale benaderde. Maar heel zelden is dit, maatschappelijk gezien, volledig tot ontplooiing gekomen. Aan de ene kant omdat vaak de wereldvreemdheid evenredig toenam met de genialiteit. Anderzijds omdat bijna alle familieleden behept zijn met een aangeboren, misschien te grote bescheidenheid, die een drang naar roem of aards fortuin steeds weer elimineerde. Men had ook dikwijls andere interessen die eigenlijk belangrijker werden geacht en men vond het meestal ook wat onfatsoenlijk om zich op de voorgrond te dringen. Geldingsdrang is in deze familie nooit erg "lakoe" (gewild) geweest. Misschien ook wel door de Indische inslag en traditie.

Tenslotte dan de vraag: waarom dan dit familieverhaal? Niet uit eerzucht dus of ijdelheid. Dat is bij een familie als deze ook waarlijk niet nodig. Wel omdat het de moeite waard leek om van deze merkwaardige, volkomen internationale familie de voornaamste wetenswaardigheden voor het nageslacht vast te leggen en misschien, wie weet, voor de historie vast te houden. De wereld verandert zo snel!

Welk geslacht, zo zou men kunnen vragen telt onder zijn leden:

Hoge militairen in land-en zeemacht waaronder een generaal en een commodore, een zeerover, een Indiaans opperhoofd, een Javaanse vorstenzoon, grote kolonisatoren en machthebbers in de Verenigde Staten, Canada en Oost-Indië, ontdekkingsreizigers in de wildernis van Amerika en Australië, vooraanstaande wetenschapsmensen waaronder een handvol professoren, een bekend paedagoog, een beroemde sinoloog, kerkelijke magistraten en zendelingen in Azië, zeer kundige medici, grote landbouwdeskundigen in Ethiopië, Soedan, Suriname, de Philippijnen en vooral Nederlands-Indië, koloniale gouverneurs, kunstenaars van naam, diplomaten en grootindustriëlen?

Ongetwijfeld is bij deze opsomming nog wel wat vergeten. Om met John Lachlan X van Dunmaglass te spreken: "De leden van dit oude Schotse geslacht, dat afstamt van koningen, behoeven zich niet de minderen te achten van wie dan ook!" En men mag er bovendien gerust trots op zijn! Aan de andere kant telt deze familie ook vele leden, die op eenvoudiger posten plichtsgetrouw hun dagelijks werk verrichten. Men kan hen in alle lagen van de maatschappij aantreffen. In de loop der eeuwen werd het bloed van vrijwel alle rassen ter wereld opgenomen. Redenen om zich ook niet de meerdere te achten van wie dan ook!

Zircon - This is a contributing Drupal Theme
Design by WeebPal.