Nederland

Bron:

  • Van Dunmaglass tot Djati Roenggo (Mr. E.J. MacGillavry, 's Gravenhage 1981)
  • The Clan MacGillivray (Robert McGillivray, May 2004)

The Dutch MacGillavrys

(by: Robert McGillivray)

Few, if any, of the families of the Clan are as distinctive as that of the Dutch MacGillavrys, as it came to spell the name. It can best be dated from 23 March 1781, the day William enlisted in a Highland Regiment destined for the Netherlands. The son of John MacGillivray, a drover in Elgin, he was a short stocky fellow, 5'-5" in height, with fair reddish tinged hair and sharp blue eyes. In 1794 his regiment was engaged against the army of the French Revolution at the Battle of Nijmegen. Displaying great gallantry, it suffered heavy loss. William was one of those wounded. He was taken north to Zwolle where he settled and became a teacher of English.

A year later William, then aged 43, married Elisabeth Landeveldt from just over the border in Germany. Elisabeth, 22 years younger, bore him three daughters and two sons, Hendrik and William. The latter had a son and a grandson, both of whom served as officers in the Royal Dutch East Indian Army.

The only two great grandsons met their deaths in the Far East at the hands of the Japanese in the Second World War. All present day MacGillavrys are therefore descended from Hendrick.

Hendrick was a remarkably clever, ambitious young man. He headed for the Dutch East Indies, married well and, with his undoubted ability, was appointed Governor at the Court of the Sultan of Souracarta while still only 28 years old. He exhibited great powers of diplomacy during the Java War and was honoured with the award of Knight of the Lion of the Netherlands by the Dutch Colonial Government.

William, onze stamvader

Farquhar MacGillivray of Dunmaglass, VI Chief, behoorde tot de notabelen van Strathnairn door de voorname plaats die de Clan MacGillivray in die streken innam. Uit zijn huwelijk met Emilia Stewart of Newtoune werden acht kinderen geboren. De oudste, Farquhar, de latere VII Chief, kwam in 1690 ter wereld. De tweede, Benjamin of Bean, zal hem omstreeks 1692 gevolgd hebben.

Deze Benjamin was tacksman (erfpachter) op de landerijen van de Castle of Cluny en de College of Spynie, een voormalig klooster. Daarnaast hield hij zich bezig met de veehandel. Aangezien de zeven kinderen uit zijn eerste huwelijk met Margaret Clarke allemaal in Elgin werden geboren, zal hij in die stad ook wel een huis hebben gehad. De familie Clarke was een oud geslacht uit Badenoch.

Benjamin's oudste zoon John, die op 2 februari 1722 geboren werd, was evenals zijn vader veehandelaar, maar geen tacksman meer. Toen de Hooglanden in 1746 door de Engelsen werden onderworpen en het clansysteem werd afgeschaft, was hij toen 24 jaar oud, te jong om tacksman te zijn. Hij verliet de Hooglanden en vestigde zich in Elgin. Hij trouwde met Margaret Stephen en kreeg vier kinderen.

De oudste was een zoon, die William (onze stamvader) genoemd werd. Deze William was van beroep "cabinetmaker", schrijnwerker zouden wij zeggen, in Elgin. Onder het juk van de Engelse bezetting kregen de Schotten steeds meer te maken met de armoede. Mede hierdoor voegde hij zich op 23 maart 1781 bij de Schotse Brigade in de Nederlanden, onder commando van generaal-majoor Dundas.

De Schotse Brigade

De Schotse Brigade was een keurkorps met een lang en roemrijk verleden. Kort na het uitbreken van de opstand in de Nederlanden in 1568 trok, met aanmoediging van de Schotse regering, een aantal vooraanstaande Schotse edellieden met een door henzelf bekostigde privé-legertjes naar de overzijde van het Kanaal om de in opstand gekomen protestanten te gaan helpen in hun strijd tegen het Spaanse bewind. Al met al bestond die brigade meer dan twee eeuwen toen William zich in 1781 aanmeldde.

Dit legeronderdeel werd in 1782 ontbonden en bij de regelmatige Nederlandse troepen toegevoegd. Veel Schotse officieren en manschappen zijn toen naar hun vaderland teruggekeerd. Zo niet William. Hij was in 1781 te Venlo in garnizoen gekomen. Bij de ontbinding hiervan werd de kolonel Bentinck zijn nieuwe commandant.

Zwolle

Op 2 oktober eindigde William's dienstverband.  Hij vestigde zich in de Eerste Sassenstraat 29 te Zwolle, waar hij Engelse lessen ging geven. Mensen die in die tijd Engelse privaatlessen namen, of die aan hun kinderen lieten geven, stelden hoge eisen aan de intelligentie en beschaving van hun leraren. Hieraan schijnt William voldaan te hebben, Gezien zijn eenvoudige achtergrond en zijn ongetwijfeld geringe opleiding is dit een prestatie die respect verdient. Hij was klein van stuk, iets meer dan 1.60, en breed in de schouders. Hij had rossig haar en de daarbij behorende blanke huid en lichtblauwe ogen.


Bethlehemkerk te Zwolle

Op zijn drie en veertigste jaar bezweek de verstokte vrijgezel voor de charmes van een van zijn leerlingen, die twee en twintig jaar jonger was dan hij. Zij heette Elizabeth Landevelt en kwam uit Emmerik in het Rijnland, een stad die toen nog meer Nederlands dan Duits was. Zij trouwden op 26 april in 1795 in de Michaelskerk te Zwolle en al op 30 mei van datzelfde jaar werd hun dochter Wilhelmina Paulina geboren.

Afgaand op het uiterlijk van hun zoon Hendrik, die eind 1797 werd geboren, moet Elisabeth donker van haar en bruin van oog geweest zijn. Zij heeft een grote bijdrage geleverd aan de opgang in de maatschappelijke stand van haar man en haar gezin. Zij bracht hem in de Doopsgezinde gemeenschap van Zwolle en gaf hem daardoor de stevige kerkelijke ruggesteun, die in die tijd zo belangrijk was. Hun oudste dochter trouwde met Willem Jan van der Vegte, waagmeester in Zwolle en hum tweede dochter Geertruida met Pieter Voskuil, stadstekenmeester in Medemblik. Beiden notabelen in hun woonplaatsen. William overleed op 4 mei 1810. Hij werd begraven in de Bethlehemkerk van Zwolle. Zijn vrouw overleefde hem met 42 jaren.

Hun zoon Hendrik kwam op vijftienjarige leeftijd in dienst bij de Ontvanger van het Stadsoctrooi te Zwolle. Op 3 maart 1816 vertrok hij, achttien jaar oud, als ambtenaar der vijfde klasse naar Nederlands-Indië, dat de Engelsen toen net aan de Nederlandse regering hadden teruggegeven. Nadat hij in Vlissingen een maand op gunstig zeilweer had moeten wachten, scheepte hij zich in op het fregat de "Nassau". Hiermee begint dan de voor onze familie zo belangrijke Indische episode.

Bron: Van Dunmaglass tot Djati Roenggo, Nederlandse Genealogie, XVIII, p.156, 158.
* geboren, & gehuwd, + overleden

William MacGillivray, in Nederland ingeschreven als William Mac Gillavry. Stamvader van de Nederlandse Mac Gillavry's. * Elgin 22 oktober 1751, nam 23 maart 1787 dienst in de Schotse Brigade onder generaal-majoor Dundas tot 2 oktober 1787, leraar in de Engelse taal te Zwolle, + Zwolle 4 mei 1810, begraven in de Bethlehemskerk. & Zwolle op 26 april 1795 in de Michaelikerk met Elisabeth Landeveldt, * Emmerik 24 juni 1773, + Zwolle 10 oktober 1852, dochter van Ernst en Geertruida Jacoba ten Kamp.

 

Bron:

  • Van Dunmaglass tot Djati Roenggo (Mr. E.J. MacGillavry)
Zoals eerder gezegd, vertrok Hendrik op 3 maart 1816, achttien jaar oud, als ambtenaar der vijfde klasse naar Nederlands-Indië. Vanuit Vlissingen scheepte hij zich in op het fregat de "Nassau".

Hendrik Mac Gillavry

Aan boord waren ook Mr. Pieter Simon Maurisse met zijn vrouw en hun kinderen Anna Theodora en Wijnand Elisa. Hendrik heeft zijn tijd aan boord blijkbaar goed besteed. Op 15 augustus 1819 trouwde hij met Anna Theodora Maurisse.

Hendrik volgde aldus het goede voorbeeld van zijn schoonvader om zijn maatschappelijke stand door zijn huwelijk te bevestigen. In 1823 al werd hij benoemd in zijn functie bij beide Gerechtshoven waar schoonvader Maurisse president van was. Dat deze laatste Hendrik in de stijgbeugel heeft geholpen is dus wel heel duidelijk! In 1821 trad hij in dienst van het Binnenlands Bestuur als assistent-resident van Buitenzorg en vervolgens in 1822 van Soerakarta. In 1823 werd hij daar tot resident benoemd. Deze snel op elkaar volgende promoties lagen buiten de directe invloedsfeer van zijn schoonvader en kunnen alleen van zijn eigen prestaties te danken zijn geweest. Het was toen pas zeven jaar geleden dat hij in Indië was aangekomen en toen hij resident werd was hij pas 28 jaar oud.

Anna Theodora Maurisse & Hendrik Mac Gillavry

Het residentschap was in het toenmalige Indië een zeer hoge ambtelijke post, die recht gaf op allerhande eerbewijzen als bijvoorbeeld het gebruik van de gouden pajong (parasol), hetgeen overigens alleen maar aan de hoogste Javaanse adel was voorbehouden. De post te Soerakarta was bovendien een van de moeilijkste omdat dit de hoogste macht inhield aan het Hof van de Soesoehoenans. de wettige voortzetters van de tradities van de keizers van het oude machtige Rijk van Mataram. Deze Soesohoenans waren potentaten die zich hun rang en roemrijke verleden van hun Huis zeer wel bewust waren. Zij moesten dus bijzonder omzichtig worden benaderd en zeer worden ontzien, terwijl aan de ander kant de resident moest laten blijken dat hij in rang hun meerdere was. Dit was dus een taak, die ten aanzien van deze hoge heren het uiterste aan tact en diplomatieke gaven vergde. Buitengewoon moeilijk voor iemand die nog zo jong was en nog pas zo kort in dit verre en vreemde land woonde met zo geheel andere zeden en gewoonten.

Hendrik ging een moelijke periode tegemoet. In 1824, dus nog voor het uitbreken van de opstand, had de resident Mac Gillavry de gouverneur-generaal Van de Capellen al gewaarschuwd voor de ontevredenheid, die hij onder de Javaanse bevolking waarnam, door een schriftuur met de volgende titel: "Nota omtrent den Staat der Javasche Vorstenlanden, de thans bestaande onlusten en middelen welke tot herstel en verzekering der rust kunnen worden aangewend."


Een van Hendrik's tegenspelers:
Mango Negoro II van Soerakarta

"Alvorens te spreken over de wijze van administratie der tolpoorten mag ik aanmerken, dat de Javaan onder zijn eigen bestuur niet ongelukking is, zoo als uit deze eenvoudige waarheid blijkt, dat in de binnenlandste districten waar goede regenten zijn, die hunne ondergeschikten tegen den willekeur der Chinezen beschermen, de bevolking welvaart en rust geniet, en in de overigen de ellende ten toppunt is geklommen, de rooverijen van dag tot dag vermenigvuldigen, en de binnenlandsche oorlogen (prang dessa) meer dan immer plaats vinden, en zelden zonder het vermoorden van eenige dessa-bewoners eindigen. Alle deze onheilen, die dit anders zoo gelukkig gedeelte van Java in een rampzalig verblijf herschept, voor die genen welke door het lot of teval aan die oorden hunne geboorte verschuldigd zijn, of aldaar hun verblijf houden, hebben hun bestaan aan ons te danken; aan ons, die eene menigte vreemde onderdrukkers in hunne vreedzame gebergten bij duizenden toelaten, niet om hen belastingen af te vorderen, welke gelijkwerkend en naar eene billijke maatstaf gereged zijn, maar om hen alles af te nemen wat zij bezitten, wat zij moeten verkrijgen en wat hen de oogst hunner akkers zal opbrengen; vreemdelingen die hen mishandelen, ongelukking maken, hunne regenten en hoofden vernederen, met hunne geliefkoosde voorvaderlijke begrippen de spot drijven, en zich ongestraft alle daden veroorloven, die met den naam van slecht en onregtvaardig kunnen bestempeld worden."

Dit over de uitbuiting van de plaatselijke bevolking door de Chinezen. Dan over de heffingen zelf, het volgende:

"Ik zal niet spreken van de heffing, welke zij zich veroorloven op de goederen en artikelen, die de tolpoorten passeeren, of op de markten ter verkoop worden gebragt, waarvan de gevorderd wordende pacht dikwerf meer bedraagt dan de waarde dier artikelen. Ik zal ook daarlaten de monopolisatiën in alle takken van handel en de eerste levensbehoeften, alsmede de extorsiën, welke de pachters zich bij zoodanige gelegenheden veroorloven. Dan, Uwe Exellentie stelle zich voor den geest, dat de landbouwer, na den ganschen dag in het zweeet zijns aanschijns voor zijn behoeftig huisgezin het veld beploefd of bearbeid te hebben, bij het passeeren langs de banderij of andere heffingsplaatsen tol betalen moet, dat hij tevens aan zoodanige voldoening is onderworpen, indien zijne buffels onder de uitgestrektheid van ders pachters ressort grazen; dat het niet aangeven of permissie vragen van zoodanig iets, als fraude der quasi-pacht wordt beschouwd en daardoor meestal eene boete incurreert, gelijkstandig met de waarde zijner karbouwen; dat hij soort gelijke boeten zelden mag voldoen, maar de buffels daarvoor worden aangehouden, die de eigenaar als dan verpligt is, telkens tot bearbeiding zijner velden te huren/ zoo dat wanneer de oogsttijd daar is, het grootste gedeelte, zoo niet alle de vruchten, door den pachter als buffelhuur worden in beslag genomen en bovendien zijne buffels zelve nimmer worden teruggegeven."

Het originele manuscript is in het familiearchief aanwezig

 


Graf van Hendrik Mac Gillavry te Tjitrap

Hoe ver was hij zijn tijd vooruit en wat had hij een goed hart!
Hendrik Mac Gillavry overleed geheel onverwacht op 15 februari 1835, 37 jaar oud aan de cholera. Hij werd begraven bij het grote landhuis Tjitrap, twintig kilometer ten noord-oosten van Buitenzorg, waar een eenvoudig grafmonument voor hem werd opgericht. Hij kwam hier graag en was zeer bevriend met de eigenaar Augustijn Michiels, ook wel Majoor Jantje genoemd.

Zijn vrouw Anna Theodora Maurisse, die bij de plotselinge dood van haar man in verwachting was van haar zevende kind, bleef zoals uit haar brieven uit die tijd blijkt, heel verdrietig en ook wat verbitterd.

Hendrik en Anna’s zesde kind Alexander Donald, geboren in 1829, overleed kinderloos in 1868. De andere vier zonen zorgden voor de uitgebreide familie MacGillavry.

In de familiestamboom worden ze aangeduid als ‘de vier takken’.

  • 1e tak – Willem Joan Julius, geboren 1820
  • 2e tak – Henri Pierre Théodore Elise, geboren 1821
  • 3e tak – Robert Jacob Wijnand, geboren 1824
  • 4e tak – Theodorus Hendrik, geboren 1835
Bron: Van Dunmaglass tot Djati Roenggo, Nederlandse Genealogie, XIXa, p.158-159

Hendrik Mac Gillavry, geboren Zwolle 3 december 1797, gedoopt aldaar Betlehemkerk 12 maart 1815. Adjunct-griffier Hooggerechtshof en griffier Hoog Militair Gerechtshof in Nederlands-Indië 1819, assistent-resident te Buitenzorg 1821, te Soerakarta 1822, resident aldaar 1823, gesuspendeerd en ontslagen 1827, resident ter Westkust van Sumatra 1829, wederom van Soerakarta 1830, ridder Nederlandse Leeuw, overleden Soekaradja 15 februari 1835, begraven Tjitrap bij Buitenzorg, getrouwd te Batavia op 15 augustus 1819 met Anna Theodora Maurisse, geboren Leiden 30 augustus, gedoopt aldaar 4 september 1799, overleden Soerakarta 24 augustus 1849, dochter van Mr. Pieter Simon en Johanna Maria Theodora van der Hoeven.

Bron:

  • Van Dunmaglass tot Djati Roenggo (Mr. E.J. MacGillavry)

William MacGillivray, geboren te Elgin op 22 oktober 1751, was van beroep "cabinetmaker", schrijnwerker zouden wij zeggen. Maar door de onttakeling van de samenleving in de Hooglanden en de steeds toenemende armoede in die streken, het dalen van maatschappelijk peil van vele bewoners, deed hem besluiten dienst te nemen bij de Schotse Brigade van generaal-majoor Dundas. Dat was op 23 maart 1781. De brigade werd in 1782 ontbonden en vele officieren en manschappen zijn toen naar hun vaderland teruggekeerd. Zo niet William. Hij was in 1782 te Venlo in garnizoen gekomen onder het bevel van kolonel Bentinck. Op 2 oktober 1787 eindigde hij zijn dienstverband.

Hij vestigde zich in de Eerste Sassenstraat 29 te Zwolle, waar hij Engelse lessen ging geven. In de burgerlijke stand liet hij zich inschrijven als William Mac Gillavry, sindsdien de spelwijze van de Nederlandse tak. Op 26 april 1795 kwam hij in het huwelijk met Elisabeth Landeveldt in de Michaelkerk te Zwolle. Uit dit huwelijk kwamen:

  • Wilhelmina Paulina (1795 - 1857)
  • Hendrik (1779 - 1835)
  • Geertuida (1800 - 1870)
  • William (1805 - 1882)
  • Jacoba Reinira (1807 - 1837)

Uit het huwelijk van Hendrik met Anna Theodora Maurisse kwamen de volgende zonen en dochters:

  • Willem Joan Julius (1820 - 1870)
  • Henri Pierre Théodore Elise (1821 - 1889)
  • Robert Jacob Wijnand (1824 - 1872)
  • Louise Annette Elisabeth Theodora (1826 - 1874)
  • Elisabeth Anna Espérance (1827 - 1847)
  • Alexander Donald (1829 - 1868)
  • Theodorus Hendrik (1835 - 1921)

Waarom wij maar uit vier takken bestaan - allen nakomelingen van Hendrik - komt door onderstaande:

  • William's afstammelingen in de mannelijke lijn zijn uitgestorven vanwege de Tweede Wereldoorlog en de beruchte Bersiap-periode in Indonesië.
  • De zoon van Hendrik en Anna Theodora Maurisse, Alexander Donald, had dienst als kapitein infanterie. Hij kwam te overlijden op 24 september 1868 aan boord van l'Impératrice op weg naar Nederland.

Is fheàrr Gàidhlig bhriste na Gàidhlig sa chiste
It is better to have broken Gaelic than dead Gaelic

Zircon - This is a contributing Drupal Theme
Design by WeebPal.