Nederlands-Indië

Bron:

  • Van Dunmaglass tot Djati Roenggo (Mr. E.J. MacGillavry)
Zoals eerder gezegd, vertrok Hendrik op 3 maart 1816, achttien jaar oud, als ambtenaar der vijfde klasse naar Nederlands-Indië. Vanuit Vlissingen scheepte hij zich in op het fregat de "Nassau".

Hendrik Mac Gillavry

Aan boord waren ook Mr. Pieter Simon Maurisse met zijn vrouw en hun kinderen Anna Theodora en Wijnand Elisa. Hendrik heeft zijn tijd aan boord blijkbaar goed besteed. Op 15 augustus 1819 trouwde hij met Anna Theodora Maurisse.

Hendrik volgde aldus het goede voorbeeld van zijn schoonvader om zijn maatschappelijke stand door zijn huwelijk te bevestigen. In 1823 al werd hij benoemd in zijn functie bij beide Gerechtshoven waar schoonvader Maurisse president van was. Dat deze laatste Hendrik in de stijgbeugel heeft geholpen is dus wel heel duidelijk! In 1821 trad hij in dienst van het Binnenlands Bestuur als assistent-resident van Buitenzorg en vervolgens in 1822 van Soerakarta. In 1823 werd hij daar tot resident benoemd. Deze snel op elkaar volgende promoties lagen buiten de directe invloedsfeer van zijn schoonvader en kunnen alleen van zijn eigen prestaties te danken zijn geweest. Het was toen pas zeven jaar geleden dat hij in Indië was aangekomen en toen hij resident werd was hij pas 28 jaar oud.

Anna Theodora Maurisse & Hendrik Mac Gillavry

Het residentschap was in het toenmalige Indië een zeer hoge ambtelijke post, die recht gaf op allerhande eerbewijzen als bijvoorbeeld het gebruik van de gouden pajong (parasol), hetgeen overigens alleen maar aan de hoogste Javaanse adel was voorbehouden. De post te Soerakarta was bovendien een van de moeilijkste omdat dit de hoogste macht inhield aan het Hof van de Soesoehoenans. de wettige voortzetters van de tradities van de keizers van het oude machtige Rijk van Mataram. Deze Soesohoenans waren potentaten die zich hun rang en roemrijke verleden van hun Huis zeer wel bewust waren. Zij moesten dus bijzonder omzichtig worden benaderd en zeer worden ontzien, terwijl aan de ander kant de resident moest laten blijken dat hij in rang hun meerdere was. Dit was dus een taak, die ten aanzien van deze hoge heren het uiterste aan tact en diplomatieke gaven vergde. Buitengewoon moeilijk voor iemand die nog zo jong was en nog pas zo kort in dit verre en vreemde land woonde met zo geheel andere zeden en gewoonten.

Hendrik ging een moelijke periode tegemoet. In 1824, dus nog voor het uitbreken van de opstand, had de resident Mac Gillavry de gouverneur-generaal Van de Capellen al gewaarschuwd voor de ontevredenheid, die hij onder de Javaanse bevolking waarnam, door een schriftuur met de volgende titel: "Nota omtrent den Staat der Javasche Vorstenlanden, de thans bestaande onlusten en middelen welke tot herstel en verzekering der rust kunnen worden aangewend."


Een van Hendrik's tegenspelers:
Mango Negoro II van Soerakarta

"Alvorens te spreken over de wijze van administratie der tolpoorten mag ik aanmerken, dat de Javaan onder zijn eigen bestuur niet ongelukking is, zoo als uit deze eenvoudige waarheid blijkt, dat in de binnenlandste districten waar goede regenten zijn, die hunne ondergeschikten tegen den willekeur der Chinezen beschermen, de bevolking welvaart en rust geniet, en in de overigen de ellende ten toppunt is geklommen, de rooverijen van dag tot dag vermenigvuldigen, en de binnenlandsche oorlogen (prang dessa) meer dan immer plaats vinden, en zelden zonder het vermoorden van eenige dessa-bewoners eindigen. Alle deze onheilen, die dit anders zoo gelukkig gedeelte van Java in een rampzalig verblijf herschept, voor die genen welke door het lot of teval aan die oorden hunne geboorte verschuldigd zijn, of aldaar hun verblijf houden, hebben hun bestaan aan ons te danken; aan ons, die eene menigte vreemde onderdrukkers in hunne vreedzame gebergten bij duizenden toelaten, niet om hen belastingen af te vorderen, welke gelijkwerkend en naar eene billijke maatstaf gereged zijn, maar om hen alles af te nemen wat zij bezitten, wat zij moeten verkrijgen en wat hen de oogst hunner akkers zal opbrengen; vreemdelingen die hen mishandelen, ongelukking maken, hunne regenten en hoofden vernederen, met hunne geliefkoosde voorvaderlijke begrippen de spot drijven, en zich ongestraft alle daden veroorloven, die met den naam van slecht en onregtvaardig kunnen bestempeld worden."

Dit over de uitbuiting van de plaatselijke bevolking door de Chinezen. Dan over de heffingen zelf, het volgende:

"Ik zal niet spreken van de heffing, welke zij zich veroorloven op de goederen en artikelen, die de tolpoorten passeeren, of op de markten ter verkoop worden gebragt, waarvan de gevorderd wordende pacht dikwerf meer bedraagt dan de waarde dier artikelen. Ik zal ook daarlaten de monopolisatiën in alle takken van handel en de eerste levensbehoeften, alsmede de extorsiën, welke de pachters zich bij zoodanige gelegenheden veroorloven. Dan, Uwe Exellentie stelle zich voor den geest, dat de landbouwer, na den ganschen dag in het zweeet zijns aanschijns voor zijn behoeftig huisgezin het veld beploefd of bearbeid te hebben, bij het passeeren langs de banderij of andere heffingsplaatsen tol betalen moet, dat hij tevens aan zoodanige voldoening is onderworpen, indien zijne buffels onder de uitgestrektheid van ders pachters ressort grazen; dat het niet aangeven of permissie vragen van zoodanig iets, als fraude der quasi-pacht wordt beschouwd en daardoor meestal eene boete incurreert, gelijkstandig met de waarde zijner karbouwen; dat hij soort gelijke boeten zelden mag voldoen, maar de buffels daarvoor worden aangehouden, die de eigenaar als dan verpligt is, telkens tot bearbeiding zijner velden te huren/ zoo dat wanneer de oogsttijd daar is, het grootste gedeelte, zoo niet alle de vruchten, door den pachter als buffelhuur worden in beslag genomen en bovendien zijne buffels zelve nimmer worden teruggegeven."

Het originele manuscript is in het familiearchief aanwezig

 


Graf van Hendrik Mac Gillavry te Tjitrap

Hoe ver was hij zijn tijd vooruit en wat had hij een goed hart!
Hendrik Mac Gillavry overleed geheel onverwacht op 15 februari 1835, 37 jaar oud aan de cholera. Hij werd begraven bij het grote landhuis Tjitrap, twintig kilometer ten noord-oosten van Buitenzorg, waar een eenvoudig grafmonument voor hem werd opgericht. Hij kwam hier graag en was zeer bevriend met de eigenaar Augustijn Michiels, ook wel Majoor Jantje genoemd.

Zijn vrouw Anna Theodora Maurisse, die bij de plotselinge dood van haar man in verwachting was van haar zevende kind, bleef zoals uit haar brieven uit die tijd blijkt, heel verdrietig en ook wat verbitterd.

Hendrik en Anna’s zesde kind Alexander Donald, geboren in 1829, overleed kinderloos in 1868. De andere vier zonen zorgden voor de uitgebreide familie MacGillavry.

In de familiestamboom worden ze aangeduid als ‘de vier takken’.

  • 1e tak – Willem Joan Julius, geboren 1820
  • 2e tak – Henri Pierre Théodore Elise, geboren 1821
  • 3e tak – Robert Jacob Wijnand, geboren 1824
  • 4e tak – Theodorus Hendrik, geboren 1835
Bron: Van Dunmaglass tot Djati Roenggo, Nederlandse Genealogie, XIXa, p.158-159

Hendrik Mac Gillavry, geboren Zwolle 3 december 1797, gedoopt aldaar Betlehemkerk 12 maart 1815. Adjunct-griffier Hooggerechtshof en griffier Hoog Militair Gerechtshof in Nederlands-Indië 1819, assistent-resident te Buitenzorg 1821, te Soerakarta 1822, resident aldaar 1823, gesuspendeerd en ontslagen 1827, resident ter Westkust van Sumatra 1829, wederom van Soerakarta 1830, ridder Nederlandse Leeuw, overleden Soekaradja 15 februari 1835, begraven Tjitrap bij Buitenzorg, getrouwd te Batavia op 15 augustus 1819 met Anna Theodora Maurisse, geboren Leiden 30 augustus, gedoopt aldaar 4 september 1799, overleden Soerakarta 24 augustus 1849, dochter van Mr. Pieter Simon en Johanna Maria Theodora van der Hoeven.

Zircon - This is a contributing Drupal Theme
Design by WeebPal.