Schotland

You are not authorized to access this content.
Bron:

Kenneth I

(Schots-Gaelisch: Coinneach mac Ailpein) (ca. 810 - Cinnbelachoir, 13 februari 858) was koning van de Picten en de Schotten.

Volgens de overlevering zou hij het toenmalige Schotland in 843 hebben verenigd en zou hij de eerste koning van het Koninkrijk Schotland of Alba geweest zijn. Historisch was hij sinds 840 de vorst van Dalriada, een Schots vorstendom in de westelijke hooglanden. In 843 zou hij zich meester gemaakt hebben van de troon van de Picten en daarmee dus aan de basis gestaan hebben van het Koninkrijk Schotland.

Zijn claim op de Pictische troon zou hebben berust op het gegeven dat zijn vader een Pictische prinses had gehuwd, en vererving in de vrouwelijke lijn was onder de Picten heel gewoon. Hij volgde de Pictische koning van koninkrijk Dalriada, Eóganan op die in de strijd tegen de Deense Vikingen in 839 was gesneuveld. Maar omdat er na Kenneth nog enkele zelfstandige Pictische koningen waren, kan niet zonder meer worden gesteld dat hij het verenigde Schotland heeft gevestigd.

Zes keer probeerde Kenneth I zonder succes de regio Lothian, waar zich ook Angelsaksen hadden gevestigd, in te lijven. In het noorden had hij te maken met plundering van zijn Pictische gebieden door de Vikingen terwijl Noorse kolonisten zich zelfs in het noorden van Schotland vestigden. Op de Stone of Scone zou hij tot Koning van Alba zijn gekroond. Hij verplaatste de relieken van Sint-Columba van Iona naar Dunkeld in 849. Kenneth overleed op 13 februari 858 in het paleis bij Cinnbelachoir, waarschijnlijk gelegen nabij Scone. De doodsoorzaak zou een tumor zijn geweest. Zijn vader was Alpin MacEochaid, een koning van de Schotse stammen die in 834 sneuvelde tegen de Picten. Van hem zijn geen historisch betrouwbare voorouders bekend.

Kenneth liet minstens twee zonen na, Constantijn I en Aedh, en twee dochters. Kenneth I werd begraven op Iona. Zijn broer Donald I volgde hem op.

Timeline for King
Kenneth MacAlpin
Historical Timeline for Scotland
834 - Present

834

839

844

849

858

Kenneth succeeds his father Alpin MacEchdach

Eóganan mac Óengusa and his brother Bran killed in battle with Vikings end of dominance of Fortriu.

Kenneth MacAlpin becomes the dominant king of the lands of Dál Riata and of the Picts which would become known as Scotia.

Kenneth MacAlpin moves St Columba's relics to Dunkeld making it an important Christian Centre.

Death of Kenneth MacAlpin

In het jaar 839 bracht Kenneth Mac Alpin, koning der Scoten, de Hooglanden tot een staatkundige eenheid. Het nieuwe koninkrijk werd Schotland genoemd. Daarvoor werden deze streken meestal met het Keltische Alba of het Latijnse Caledonia aangeduid. Deze staat had een puur Keltische bevolking, met uitzondering van een smalle kuststrook in het Westen en de eilanden daarvoor, waar de Germaanse Vikingen de baas waren. Het ligt dus voor de hand, dat voor het nieuwe koninkrijk een staatsvorm werd gekozen naar het voorbeeld van Ierland, het stamland van de Scoten. De kleinste eenheid was de stam of tuath (tuha) met aan het hoofd de toisech (tishock). Een burgemeester in Ierland heet nog altijd zo. Een aantal tuaths vormden samen een mortuath (grote tuath) onder leiding van een mormaor. Twee of meer mortuaths vormden een coicidh of provincie onder een righ (rea). De coicidhs zonderden samen een neutraal gebied af, waar de ard-righ of hoge koning, het staatshoofd met zijn regering zetelde.

Evenzo lag de oude Ierse hoofdstad Tara in de afgezonderde County Meath.

Deze Schotse Hooglanders leefden onder de oeroude wetten van "tanistry" en "gavel". Tanistry wil zeggen dat het leiderschap van de verschillende gemeenschappen niet erfelijk was, maar dat dit werd toegewezen aan hem, die naar de mening van de daartoe bevoegden (dat was bijna ieder volwassen lid van de gemeenschap) daarvoor het meest geschikt was. Een zeer democratische staatsvorm dus. De regels die door gavel werden gesteld hielden in, dat het land niet in vaste handen bleef en steeds door de oudste zoon werd geërfd, maar dat de leider van de gemeenschap telkens naar beste weten tot een eerlijke verdeling overging, als er gerechtigden afvielen of bij kwamen. Ook hierin valt het Ierse voorbeeld duidelijk te herkennen.

Deze unieke levensstijl, die zo sterk afweek van die van de Germanen in de Laaglanden, kreeg nog duidelijker gestalte, toen koning Malcolm III Canmore omstreeks het jaar 1070 zijn residentie van Scone in de Hooglanden naar Dunfermline in de Laaglanden en later naar Edinburgh verplaatste. Hierdoor vervreemdde het Schotse vorstenhuis zich van zijn Keltische onderdanen in het Noorden. Het vacuüm, dat daardoor in die streken ontstond, leidde tot ontwikkeling van de Clans uit de oude tuaths.

Het woord Clan is afgeleid van "Clanna", hetgeen kinderen betekent. Frank Adam schrijft hierover in zijn "The Clans, Septs and Regiments of the Scottish Highlands" op pagina 24/25 het volgende:

Beroofd van de aanwezigheid en invloed van hun monarch, zagen de inwoners van de Hooglanden al gauw de noodzaak van een andere bestuursvorm in, teneinde zich te beschermen tegen de aanvallen waaraan zij bloot stonden. Hieruit vloeide de instelling van de Chiefs voort, die gekozen werden door de (ongeveer honderd) verschillende kleine gemeenschappen waarin de bevolking van de Hooglanden op natuurlijke wijze was verdeeld, op grond van hun rang, moed of talent. De macht van deze Chiefs was heel groot. Zij traden op als rechters of scheidslieden in de twisten van hun Clangenoten en volgelingen. Aangezien zij door een vastberaden aanhang in hun rechten, hun positie en hun macht werden gesteund, vormden zij in de gebieden, die onder hun rechtsmacht stonden, een kracht, die bijna onafhankelijk was van het koninklijk gezag. In ieder geval waren zij zelden geneigd zich iets daarvan aan te trekken."

Sir Thomas Innes of Learny, Lord Lyon King of Arms, geeft in zijn werk "The Scottish Clansystem" op pagina 13 de volgende beschrijving van de Clans:

"Heden ten dage is er nauwelijks een Schot te vinden, die langs de een of andere afstammingslijn geen aansluiting heeft aan de Koninklijke Lijn van Fergus Mac Ere (en het Huis van Gabhran) en zich daardoor geen bloedverwant zou kunnen noemen van de huidige Britse vorst Koning George VI. Dit gevoel van verwantschap, de band tussen de Ard Righ Albainn, de Mormaors en de Chiefs, tussen dezen en de duine uasai (of tacksman) en tussen de laatste en de Clan, heeft een heel grote invloed gehad op de Schotse beschaving. (De afstamming van de Clan Mac Gillivray van Fergus Mac Ere is hierna in de eerste stamreeks vermeld). Men heeft berekend, dat ten tijde van de staalkundige unie met Engeland in 1707, op een bevolking van 1 miljoen, er meer dan duizend tot een Clan behorende families met een titel bestonden, ieder even trots en van evenwaardige oude adellijke afstamming als van de bekende continentale adellijke geslachten. Hieruit volgt, dat ongeveer een op vijftig inwoners van Schotland in feite behoorde tot een geslacht met een titel of tot een erkende Clan, en dat ongeveer de helft van het Schotse volk zich beschouwde als een lid van de aristocratie van het land. Zo'n verhouding is in geen enkel ander land bekend,en het morele en sociale effect hiervan op de Schotse natie is onmetelijk groot geweest. Onder het Clansysteem werden de afstammingslijnen van de Chiefs beschouwd als de kapstok waaraan de glorie van de gehele Clan hing. Hun stamboom, die door deseanachaidhs of in de moderne spelling sennachies (de barden en geschiedschrijvers) van de Clan werd bijgehouden en bewaard, werd gekoesterd als de gemeenschappelijke trots van alle afstammelingen. Het gevolg hiervan is geweest, dat in de Schotse bergdalen geen serviele boerenknechten van het landelijke Engelse of continentale soort gevonden werden. De Clansmen, die zijn opgegroeid op de boerderijen of in de landhuizen van de Hooglanden, zijn zich nog vol trots bewust van hun ras en hun roemrijk verleden. Zo komt het, dat een Clansman zich vaak, als de omstandigheden hem daartoe de kans gaven, ontwikkelde van herder van zijn koeien of schapen in een vreedzaam bergdal in de Hooglanden tot de gelijke van (en niet lot een parvenu tussen) de hoge adel en de staatslieden van het continent of van Engeland, of dat hij in rustig en stijlvol vertrouwen de leiding op zich nam van grote ondernemingen door het gehele Britse Imperium (en daarbuiten). Dit saamhorigheidsgevoel, deze natuurlijke trots en deze vanzelfsprekende zelfbewustheid vindt men nog terug bij velen van Schotse afkomst, die lang geleden hun bergdalen, hun glens verlieten".

Tot zover Frank Adam en Sir Thomas Innes of Learny.

Aan het hoofd van de Clan stond de Chief (de Ceann cinnidh). Meestal een bijzonder zelfstandig en eigengereid man, zeer bewust van zijn macht en zijn waardigheid. Oorspronkelijk werd hij door de Clangenoten gekozen, maar al gauw werd het gebruikelijk dat de oudste zoon de vader opvolgde. Belangrijk is het altijd geweest dat hij steeds met en tussen zijn volgelingen leefde, zodat hij goed op de hoogte was van hun verlangens en de meesten persoonlijk kende. Steeds weer valt de nadruk, als grondslag van het gehele Clansysteem, op de hartelijke verhouding tussen de Chief en zijn Clangenoten als van een aartsvader tot zijn familieleden. Hij was de leider van de Clan in oorlog en vrede. Hij had de sociale verantwoordelijkheid voor zijn volgelingen en de plicht om hen allen voor armoede te behoeden. Hij bezat het erfelijk recht om de belangrijkste onderlinge geschillen te beslechten en dientengevolge de macht over leven en dood van de Clansmen. Rechtszaken van minder belang werden toevertrouwd aan de breitheamb of brieve wiens vaak erfelijk beroep dit was. Toch was de Chief geen dictator of tiran. Hij heerste over zijn Clangenoten, alleen omdat zij dit zelf wilden. Een ongewenste beslissing kon worden herroepen door de verzamelde Clan, of als die daar te groot voor was, door een Raad van Chieftains en Tacksmen.

Zonodig konden zij hem ook afzetten. In de Clan Chattan (Hattan), waartoe ook de Clan Mac Gillivray behoort, zijn hier drie voorbeelden van:

  • In 1409 werd de IXe Chief van de Mackintoshes afgezet.
  • In 1726 overkwam Cluny Mac Pherson hetzelfde, na een voor hem ongelukkig verlopen geschil met Farquhar VIe Chief van de Clan Mac Gillivray.
  • In 1745 nam Anne Mackintosh (Colonel Anne) de leiding van de Clan Chattan over, toen haar man Angus, XXIIe Chief van de Clan Mackintosh, de kant van de Engelsen had gekozen.

De investituur van een nieuwe Chief ging met veel eeuwenoud ceremonieel gepaard. Bij de Lords of the Isles, de Mac Donalds, geschiedde dit bijvoorbeeld in aanwezigheid van de geestelijken (de opvolgers van de Druïden), de vertegenwoordigers van de takken van de Clan, de Chieftains dus, de sennachies en de verzamelde Clansmen. Bij de andere Clans zal het wel niet veel anders zijn geweest. De nieuwe Chief zette zich op een Druïdensteen met een voetafdruk, als teken dat hij in de voetstappen van zijn voorvaderen zou treden. Hij was dan gehuld in een wit gewaad om de onschuld en de integriteit van het hart te symboliseren, opdat hij een licht voor zijn volk zou zijn en het ware geloof zou handhaven. Hij kreeg een witte staf in zijn hand als teken van zijn macht,opdat hij zou regeren zonder tirannie of partijdigheid en met bescheidenheid en oprechtheid. Ook ontving hij zijn vader's zwaard als symbool van zijn plicht om zijn Clan te verdedigen wanneer dat nodig zou zijn. De prachtige literatuur van het oude Ierland werd in hoge ere gehouden en zelfs nog verder ontwikkeld, zoals de verhalen over Cuchulainn, Deirdre, Fionn Cumhaill en zijn heldenschaar en vele anderen.

Kortom, de oude traditie van het Hof van Tara, waar de Hoge Koningen van Ierland resideerden, werd met grote eerbied voortgezet. De meest bekende dichter was Muiredach O'Daly. Zijn afstammelingen, de Mac Muirich's, waren de erfelijke sennachies (barden) aan het Hof van de Lords of the Isles en later van de Chiefs van de Clan Ranald. Zij bewerkten onder meer oude Griekse sagen vanuit die taal in het Gaelic. De Mac Beth's, die zich later Beaton gingen noemen, waren de erfelijke geneesheren van de Lords of the Isles. Een groot aantal van hun zeer geleerde verhandelingen zijn bewaard gebleven. Men kan hierin veel verwijzingen naar Latijnse, Griekse en Arabische geleerden vinden. Hieruit blijkt nog weer eens op welk hoog peil de Keltische cultuur in die tijd (de twaalfde tot ongeveer de veertiende eeuw) stond. De woning van de Chief was eigenlijk een miniatuurhof. De hofhouding bestond meestal uit een bard (de sennachie), een harpspeler, een banierdrager, een doedelzakspeler (de pibroch), een sabeldrager, een persoonlijke bediende die altijd in zijn buurt was, en een gewone lijfwacht die uit de sterkste kerels van de Clan was samengesteld. Zelfs de geringste Clan had zo'n hofhoudinkje, maar bij de belangrijke Clans was de hofhouding uitgebreider. Zo had de doedelzakspeler bijvoorbeeld ook zijn eigen bediende, die de doedelzakken droeg. Na de Chief kwam de Tanist, zijn aangewezen opvolger. Dan de Chieftains (de Ceann tighes). Dit waren de hoofden van de jongere takken van de Clan. Ten aanzien van hun volgelingen namen zij eenzelfde plaats als de Chiefs in. Zij waren eveneens invloedrijke landeigenaren, die soms zelfs machtiger waren dan de Chief zelf. De oudste in lijn, dus de belangrijkste, werd Toisech genoemd en stond in rang gelijk met de Tanist. Zo kende de Clan Mac Gillivray de Chieftains van Dalcrombie, Lairgs en Daviot. Zij hadden allen erfelijke rechten op hun gronden. Vervolgens kwamen de Tacksmen (de Duine Uasal), die in wezen de ruggegraat vormden van de Clan. Ook zij waren meestal nauw verwant aan de familie van de Chief. Het was van groot belang dat zij evenals hij, hun afstamming terug konden leiden tot de stamvader van de Clan. Zij hielden de massa van de Clangenoten door hun dagelijkse leiding bijeen. Zij waren de tussenpersonen tussen de Chiefs en de Chieftains enerzijds en de Clan aan de andere kant. Van de Clangenoten ontvingen zij pacht, waarvan zij een deel aan de Chief afstonden. Ook hadden zij het recht van hen bepaalde diensten te vragen bij werkzaamheden in de landbouw en de veeteelt. Naast de pachtontvangsten vonden zij in deze takken van bedrijf voornamelijk hun bestaan. De handel in landbouwproducten en vee was hiervan het natuurlijk gevolg.

Deze Clangenoten, de grote massa van de volgelingen, werden crofters genoemd. Zij vormden het merendeel van de aanhang van de Chief. Vaak waren zij ook bloedverwanten, soms ook waren zij op de grond van de Clan komen wonen en hadden de achternaam van de Chief aangenomen. Zij hadden allen de plicht om de Clan als krijger te dienen. Bovendien waren zij de Chief de "calpa" verschuldigd: de eerste vruchten van het gewas en de eerstgeborenen van de veestapel, beiden voor een heel klein deel. Het voorgaande zou de indruk hebben kunnen wekken, dat de Clan eigenlijk een gemeenschap zonder rangen en standen was. Dit is niet helemaal waar. Er bestonden niet zulke grote tegenstellingen tussen aristocratie en de massa en tussen rijk en arm als elders in Europa in die tijd, maar er was toch wel een duidelijk verschil tussen de Chiefs, Chieftains en Tacksmen aan de ene kant en de overigen. In de eerstgenoemde groep trouwde men onderling of met gelijken uit andere Clans. Binnen de andere groep, die van de crofters, gold hetzelfde. Ook in culturele ontwikkeling bestond tussen beide groepen een groot verschil. Maar zoals gezegd, niettegenstaande deze verschillen in stand en ontwikkeling, was de onderlinge verstandhouding altijd uitgesproken hartelijk.

Ook de crofters leefden voornamelijk van landbouw en veeteelt. Daarnevens oefenden zij de meest uiteenlopende beroepen uit, zodat de Clan een gesloten economische eenheid vormde, die in alle opzichten in zijn dagelijkse behoeften kon voorzien. Dan kwamen de "cottars" een armer soort crofter met minder land en vee tot hun beschikking. Tenslotte waren er de landarbeiders, behorend tot de laagste trap van de Keltische maatschappij, die vaak een wat armzalig bestaan leidden. Al deze mensen stonden onder leiding van de Tacksman, die een grote macht over hen had. Men kan wel zeggen, dat zij deze taak met veel mildheid en wijsheid hebben uitgeoefend. Van enige ontevredenheid of verzet tegen hun leiding is in de geschiedenis van de Hooglanden nooit gebleken. Dit Clansysteem heeft door de eeuwen heen voortreffelijk gewerkt.

Omstreeks 1380 beschreef John of Fordun het dagelijks leven in de Highlands als volgt: "De velden waren armer dan in de Lowlands, maar toch was er een goede oogst van haver en gerst. De moerassen waren natuurlijk zeer gevaarlijk, maar er was toch genoeg weiland voor het vee. Hierop was eigenlijk de economie van de Highlands gebaseerd. De dalen hadden prachtig gras en de zee, de meren en de rivieren waren boordevol vis." De bewoners van de Hooglanden noemt Fordun een soort ontembare, wilde, maar van nature vriendelijke en hartelijke mensen, met een zekere gratie, die echter ontbrak in hun kleding.

De Clanleden stonden zeer vijandig tegenover de Engelsen en hun taal. Ook de Schotten uit de Lowlands konden zij moeilijk verdragen, want die beschouwden zij als indringers in Schotland. Iedere Clan had zijn eigen rundvee, schapen en geiten. Als de dieren naar de markt werden gedreven kwamen zij natuurlijk over het terrein van de andere Clans en dan moest hiervoor geld betaald worden. Dit noemde men "road-collop". Collops zijn pakjes vlees, gestoofd met uien. Meestal was het zo dat men een of ander stuk vlees ten geschenke gaf.

Schapen waren talrijk maar minder belangrijk dan het overige vee. De Clans bezaten gezonde kudden, kleine mooie beesten met prachtige wol. Heel andere dieren dan men nu aantreft. Er waren ook veel geiten, maar varkens waren zeldzaam. De Hooglander had een diepgewortelde afkeer van varkensvlees. Waarschijnlijk een soort bijgeloof dat men nu nog aantreft. Er zijn nog keuterboertjes, die geen varkenskoteletten als geschenk willen aannemen.

Omstreeks 1450 begon er verandering in het Clanleven op te treden. De veeroof (ofschoon nooit helemaal verdwenen) begon plaats te maken voor veedrijven en daarna veehandel. Het leven in de Hooglanden was in het algemeen gelukkig. In het voorjaar gingen de jonge mensen en soms ook de ouderen hoger de heuvels op om het vee zomervoedsel te geven. Zij leefden daar in hutten, verzorgden de dieren, maakten kaas en boter en luisterden naar de oude verhalen en geschiedenissen van hun Clan. In Augustus of September ging men weer naar beneden om te oogsten. De vechtersbazen van de Clan gebruikten de zomer voor jagen en wedstrijden in behendigheid en kracht. Eigenlijk zou men hen de voorlopers kunnen noemen van de tegenwoordig zo populaire Highland games (bijvoorbeeld die van Braemar). De spelen bestonden uit schermen, hardlopen, worstelen, en paal- en steenwerpen. Dit vormde een belangrijk deel van de militaire training van de Clans.

Het leven van een Clanlid was eenvoudig maar niet primitief. Kunstnijverheid en andere artistieke takken stonden op hoog peil. Zij hielden van muziek, poëzie en dansen. De Hooglanders baadden veel in een tijdperk waarin men meestal afkerig was van water. Het waren robuuste geharde kerels, die niet om kou gaven en van het buitenleven hielden. Zij behandelden hun vrouwen met veel achting. Dit is altijd een goede maatstaf om het beschavingspeil te bepalen. De huwelijksgelofte werd als heilig beschouwd en onvriendelijkheid tegen een vrouw was zeldzaam. Onkuisheid werd als een grote misdaad beschouwd. Er bestond een sterke band tussen ouders en kinderen. Een goede eigenschap was hun eerlijkheid. Deuren werden niet op slot gedaan, zelfs niet wanneer men uit was en ook in deze tijd ziet men in Schotland dikwijls de deur op een kier staan. Clanleden waren bijzonder gehecht aan hun bergdalen en vreesden meer dan wat ook, op vreemde bodem begraven te moeten worden. Zij kregen er nooit genoeg van te luisteren naar de romantische verhalen en heldendaden van hun voorouders. In het gevecht waren zij bijzonder woest en barbaars, maar kwam een vreemdeling in vriendschap naar hem toe dan was de Hooglander vriendelijk, edelmoedig en de gastvrijheid zelve." (Dit in tegenstelling tot alle fabeltjes omtrent de Schotse gierigheid). Tot zover John of Fordun.

Een buitengewoon tijdverdrijf bij de Hooglanders was het declameren van de traditionele poëzie, zij hadden hier een goed geheugen voor. De verhalen werden mondeling overgeleverd en dichtkunst en muziek vulden elkaar aan. Een gedicht onthield men gemakkelijker als het op muziek werd gezet. Volgens James Logan zong de oude Kelt zowel bij vrolijkheid als bij droefenis en beide gemoedsuitingen verwerkte hij in poëzie en muziek. Voor iedere gelegenheid bestond er speciale muziek (voor het oogsten, roeien, melken). Men kende verschillende categorieën: martiale muziek, klaagliederen, wiegeliedjes, overwinningsliederen en liefdesliedjes. Wat opvalt in al deze liederen en zelfs in de vrolijke reels en gigues is de duidelijk melancholieke ondertoon. Dit is het kenteken van de Keltische muziek.

In de grammofoonplaat "Music for Flute", gespeeld door Ellen Mac Gillavry als soliste, komt dit in de Schotse dans "Waly, Waly" (Odeon, Emi S.M.H.O 5003) ook sterk naar voren. De grote Schotse historicus George Buchanan schreef in 1582 in zijn "History": "De Hooglanders gebruiken in plaats van een trompet een doedelzak. Ze zijn bijzonder gesteld op muziek en gebruiken een bijzonder soort harp (de clarsach). Hun liederen zijn charmant en bezingen de lofspraak van dappere mensen, hun zangers kiezen zelden een ander onderwerp". Zie pagina: Oran Mor.

In ieder gevolg van een Chief trof men een harpspeler en een doedelzakspeler aan. De grote doedelzak zorgde voor de oorlogsmuziek en werd zelden binnenshuis bespeeld. De hoofdvorm van de doedelzakmuziek kan men in drieën verdelen; het verzamelen, de begroeting en het klaaglied (ceol mor). In de Clan Mac Giilivray werd door de eeuwen heen de MacGiilivray march gespeeld. Nog tot op de huidige dag wordt deze op de Clan gatherings over de gehele wereld ten gehore gebracht.

De kapelmeester van de Amsterdamse politiekapel Karel Kokelaar heeft er een mars voor een volledig orkest van gemaakt. Deze muziek werd in 1971 op een grammofoonplaat vastgelegd. In Augustus 1977 werd deze mars op de taptoe te Breda door de daar verzamelde muziekkorpsen waaronder de Koninklijke Militaire Kapel, ten gehore gebracht. Het is overigens ook als vast nummer opgenomen op het repertoire van vele amateur orkesten hier te lande.

De beroemdste doedelzakspelers waren de Mac Crimmons. De barden of zangers hadden enorme invloed op het Clanleven. Het was hun taak de Clan tot de strijd aan te vuren. Onder de Keltische dichters trof men vele vrouwen aan. In 1674 stierf er een op 105 jarige leeftijd. Werkelijk oude Keltische literatuur is nu schaars, aangezien de traditionele cultuur mondeling werd overgeleverd en er weinig geschreven werken bestaan. De oudste verzameling verzen is het Glenmassan manuscript uit 1238. Dit bevat onder meer het beroemde gedicht Deirdre uit de oude Ierse geschiedenis. De schoonheid van de Keltische taal is heel moeilijk te vertalen. Zij kent trouwens klanken, die in geen enkele andere Europese taal voorkomen en die voor onze tong bijzonder moeilijk uit te spreken zijn. Er bestaan nog wel oude manuscripten uit de vijftiende en de zestiende eeuw die belangrijk zijn, omdat zij werden opgesteld in een fonetisch schrift, dat daardoor de uitspraak goed weergeeft. Bovendien geven deze manuscripten een waardevolle indruk van het leven in de Hooglanden op zo'n vroeg tijdstip. Het eerste gedrukte boek in het Gaelic was een vertaling van John Knox's gebeden dat in 1567 in Edinburgh verscheen. De Hooglander kon zich bijzonder goed uitdrukken in gedichten en muziek. Hij was als rechtgeaarde Kelt hartstochtelijk gesteld op schoonheid in elke vorm. Helaas is de Keltische spreektaal geheel in verval geraakt, maar de dichterlijke traditie leeft nog voort. In Ierland geeft men zich tegenwoordig veel moeite om het Keltisch weer te doen herleven. Het is daar een algemeen verplicht leervak op de lagere school. Alle officiële opschriften en aankondigingen worden daar in deze taal gesteld. Ook in Schotland heeft men hiertoe een bescheiden poging gewaagd. Zonder veel weerklank tot dusver, niettegenstaande alle inspanning van de Scottish National Party. Het laatste deel van dit hoofdstuk, namelijk het dagelijkse leven in de Hooglanden, werd door Ellen Mac Gillavry geschreven.

De zeer bijzondere vorm van samenleving hebben de Hooglanders in grote trekken tot 1746 in stand kunnen houden. Dus gedurende meer dan negenhonderd jaar, niettegenstaande een voortdurende en steeds toenemende bedreiging en inmenging in hun leven door een overmacht van verengelste Germanen uit de Laaglanden en uit Engeland zelf.

Tags: 

 

Bron:

In een kleine gemeenschap, waarin iedereen elkaar goed kent, bestaat geen behoefte aan een achternaam. Men kan volstaan met een voornaam, eventueel met daarachter de voornaam van de vader, een bijnaam of een beroepsnaam ter onderscheiding van anderen met dezelfde voornaam. Een blijvende familienaam wordt pas noodzakelijk wanneer contacten ontstaan met personen buiten de eigen groep. Dit gebeurde in Schotland in de elfde eeuw, tegelijk met het ontstaan van de Clans. Keltische namen hebben een viervoudige oorsprong, evenals die van voor de Napoleontische tijd in de meeste andere Europese landen.

  • De voornaam van de vader of grootvader, zoals lain Mac Dhomhnaill, verengelst John Donaldson. Bij ons Janszoon, waaruit de familienaam Jansen voortkwam.
  • Het beroep: Coinneach Gobha; Kenneth Smith. In het Nederlands Smit.
  • Een bijnaam ontleend aan een bijzonder kenmerk van de stamvader, b.v. Caimbeul (met de scheve mond), Campbell.
  • In ons land kunnen wij denken aan een naam als Korthals, maar ook aan namen als de Groot en de Lange.
  • De plaats van herkomst: lain Muideartach, John from Moidart. Bij ons namen als van Gogh, van Haaften, de Vries.

De echte Keltische namen beginnen vaak met Mhic of verengelst Mac (zoon), gevolgd door een voorof andere naam in de genitivus. Die komt tot uitdrukking door de eerste letter te verzachten, als het een medeklinker is, door er een 'h' achter te plaatsen, en de laatste te verscherpen door er een 'i' voor te zetten. Dus Domhnall in de nominativus wordt Dhomhnaill in de genitivus. Zo is Caimbeul eerste naamval en Chaimbeil tweede. Dit kan een indruk geven van de buitengewoon moeilijke regels van de Keltische grammatica. Ook gebruikt men wel het achtervoegsel 'ach'. Mac Dhomhnaill wordt ook wel Domhnallach genoemd.

Bij vrouwelijke familieleden wordt 'Mac' vervangen door 'Nic', een samentrekking van nighean mhic (dochter van de zoon). Zo heet Alexander Mac Leod, Alisdair Mac Leoid en zijn vrouw Mary, Mairi Nic Leoid. Het is gebruikelijk dat bij een vrouw de eerste letter van de familienaam, als die met een harde medeklinker begint, wordt verzacht door de 'h', maar de laatste niet noodzakelijkerwijs wordt verscherpt door de 'i'.

Een interessante vraag is, of personen met dezelfde Keltische achternaam ook van dezelfde voorouders afstammen. Aangezien de Kelten goede genealogen waren en hun stambomen nauwkeurig bijhielden, kan met zekerheid worden vastgesteld, dat dezelfde achternaam bepaald niet de zekerheid geeft van dezelfde afstamming. Vaak namen de onderpachters, de crofters, de naam aan van het Clanhoofd, waar zij meestal geen familie van waren. Dit gebeurde ook wel, wanneer een familie zich voor langere tijd bij een andere Clan aansloot. Zo gingen de predikant Farquhar Mackintosh en zijn broers, die ook geestelijken waren, zich Fraser noemen, omdat zij gedurende drie generaties onder de Frasers hadden gepredikt. Evenzo gingen de Mac Morrens zich Mackinnon noemen.

Morrissons kunnen uit Engeland komen, maar ook afstammen van de familie Mac Gillmhoire van de eilanden Lewis en Harris, dus zo Keltisch als het maar zijn kan. Om het nog ingewikkelder te maken: de vader van de stamvader Gillmhoire heette Cianan. Afstammelingen van hem gingen zich ook wel Mac Cianan noemen of verengelst Mackinnon. Maar dat zijn dan weer andere Mackinnons dan die van de Mac Morrens afstammen. Het is dus absoluut noodzakelijk om de afstamming van generatie tot generatie terug te leiden en niet voetstoots aan te nemen dat iedereen met dezelfde achternaam ook dezelfde stamvader heeft.Ten aanzien van de oorsprong van onze familie is, zoals later blijken zal, dit dan ook grondig gebeurd.

Ook omtrent de juiste spelling heerst veel verwarring. Officiële documenten werden oorspronkelijk in het latijn opgesteld, daarna in het Gaelic en tenslotte in het Engels. Degenen die zich hiermee bezig hielden waren meestal mensen van buiten de Hooglanden. De Keltische barden schreven nooit iets op, maar onthielden alles en gaven hun kennis mondeling door aan hun opvolgers. Eerder genoemde buitenlanders, vaak uit Engeland, waren slecht op de hoogte van de ingewikkelde Keltische schrijfwijze. Zij trachtten bovendien de Keltische klanken, die soms in hoge mate van de Germaanse en Latijnse afwijken, in Engelse spelling weer te geven, hetgeen de deur wijd openzette voor misverstanden, dubbelzinnigheid en vergissingen.

Tenslotte nog de vraag of het deel van de familienaam achter Mac met een hoofdletter of in één woord met een kleine letter moet worden geschreven. Het antwoord hierop is: als dit tweede deel van een voornaam is afgeleid, met een hoofdletter zoals Mac Donald, anders met een kleine letter zoals Macintyre, een naam die afgeleid is van Mac an t-saoir, zoon van de schrijnwerker, of Mackintosh van Mac-an-toisich, zoon van de leider.

Oorsprong van de naam Mac Gillavry

Als stamvader-naamgever van de Clan Mac Gillivray worden genoemd zowel Gillibride of Gillibrighde als ook Gillibhraec, Gillibrath of als samentrekking hier van Gilbrae. Gillie is het Keltische woord voor helper of dienaar. In het eerste, het meest waarschijnlijke geval, zou de naam betekenen: "Aanhanger van Bride of Brigitta", een bekende Ierse heilige, en in het tweede: "Dienaar des oordeels", de benaming voor een erfelijke rechter onder de koningen van de westelijke eilanden. 'Bhraec' dat wordt uitgesproken als 'vray', komt overeen met het Engelse 'wrath'.

Gillibride werd omstreeks het jaar 1100 geboren. Hij had twee zonen, Somerled, de stichter van de Clans MacDonald, Mac Dougall en MacRory, en Anradan of Henry. De jongste zoon nam zijn vaders naam er als familienaam bij. Hij noemde zich Anradan Mac Gillibride. Sedertdien, de eerste helft van de twaalfde eeuw, is onze achternaam blijvend gevoerd. Maar het is dus nog niet zeker dat onze naam van deze Mac Gillibride is afgeleid en evenmin dat iedereen die zich tegenwoordig Mac Gillivray noemt deze afstammingslijn heeft.

Van een uniforme spelling is eigenlijk voor de negentiende eeuw nooit sprake geweest. Zelfs nu nog komen talrijke variaties voor. Zij worden hierna opgesomd. De  Ierse vorm is Ogilvie, een naam die veel bekendheid heeft gekregen door het huwelijk van Angus Ogilvie met prinses Alexandra van Kent.

Toen op bevel van Napoleon voor alle familienamen in Nederland een vaste spelling werd voorgeschreven koos William, de stamvader van de Nederlandse familie, de spelling Mac Gillavry. De achternaam van William's grootvader Benjamin werd in verschillende acten geschreven als Mac Gilevray, Mac Gilavray, MacGilliwray, MacGilavrey, Mac Gillawray, MacGillavray en MacGillavrey. De spelling van de naam van William's vader John was: MacGilvrae, MacGilavrey en Mac Gillavrey.

Williams keuze was dus wel verklaarbaar. Dientengevolge gebruikt de Nederlandse familie een spelling voor haar naam die af wijkt van het meer gebruikelijke MacGillivray. De Canadese tak gebruikt terecht de kleine letter en schrijft de naam Macgillivray. Eigenlijk zou de Nederlandse familie de schrijfwijze Macgillavry moeten gebruiken.

Common Variants of "MacGillivray" & "McGillivray"

  • MacGilvray
  • MacGillavry
  • MacGillivry
  • MacIlbra
  • MacGilvary
  • MacGillvary
  • MacGillivoor
  • MacIllevorie
  • MacGillivary
  • MacGillveary
  • MacGillviray
  • MacIlvora
  • MacGilvra
  • MacGilvery
  • MacGilveray
  • MacIlvoray
  • MacGillvray
  • MacGillavery
  • MacGilvreay
  • MacIlvray
  • MacGillivrey
  • MacGillvrey
  • MacGilvry
  • MacIlvrae

 

Bron:

Het ontstaan van Clan en tartan hangt nauw samen. Al heel vroeg wilden de Clanleden zich zo kleden, dat het gemakkelijk was om elkaar te herkennen. Over het tijdstip van het ontstaan van de tartan is men het niet helemaal eens maar men veronderstelt dat dit plaats vond in de twaalfde eeuw. Het zal wel een zeer geleidelijke ontwikkeling geweest zijn; omstreeks de zestiende eeuw waren de Clandistricten min of meer afgebakend. Wat droeg de Hooglander? Velen zullen verbaasd zijn te horen, dat de kilt, die zo echt beschouwd wordt als het Hooglandse kostuum, in geen enkele herkenbare vorm bestond voor het einde van de zestiende eeuw.

De kleding van vóór 1600 kan als volgt worden samen gevat:

  • Linnen shirt, (voor degenen, die het betalen konden in saffraan gedoopt).
  • Korte jacket.
  • Trews. Deze lijkt op de tegenwoordige maillot, maar was van wollen stof gemaakt.
  • Plaid, losjes omgeslagen, misschien van tartan, maar in ieder geval in verschillende kleuren.

Tartan is een combinatie van kleuren, strepen en ruiten in wol of zijde, 's Nachts sliep de Hooglander in zijn plaid en overdag diende deze als kilt. In 1600 werd het linnen saffrane shirt afgeschaft, waarschijnlijk door de toenemende armoede in de Hooglanden en gedeeltelijk ook door de verwoesting van Ierland, waar de voorraad linnen was vernietigd. Voordien droegen Schotten en Ieren beiden het saffrane shirt.

Van 1600 tot 1725 kwam de 'belted plaid' in de mode. Deze bestond uit een gewoon stuk tartan, dat op zeer speciale manier werd aangetrokken. De plaid werd op de grond gelegd met een riem er onder. Dan plooide men de stof over de riem en ging er zo op liggen, dat de onderkant van de plaid tot de knieholte reikte. Daarna plooide de Hooglander de stof om zijn taille. Van voren sloten de omgevouwen einden over elkaar. Het geheel werd vastgemaakt met een leren riem. Hij liet dan het lange ongeplooide gedeelte achter zich naar beneden vallen en deed zijn jas, vest en sporran aan. De sporran is het kleine tasje in leer of kortharig bont uitgevoerd, dat voor op de kilt gedragen wordt. Het losse gedeelte van de plaid, dat op zijn enkels hing, gooide hij met een handige en gracieuze beweging over zijn linkerschouder en dit alles werd met een broche vastgezet. Bij slecht weer kon de plaid ook als jas worden gebruikt. Men zegt, dat de Schotten gewend waren om hun plaids in koud water te dompelen voordat zij gingen slapen, zodat de warmte van hun lichaam een warme wasem afstraalde door de vochtige kleren. In 1725 kwam de kleine kilt in gebruik en tegen de tijd van de Jacobitische opstand in 1745 werd deze hoofdzakelijk nog gedragen. Nu wordt gezegd, dat de kleine kilt een uitvinding was van een Engelsman, die een metaalgieterij had in Schotland. Het viel hem op, dat de arbeiders bij hun werk gehinderd werden door het gedeelte van de plaid, dat over hun linkerschouder hing. Hij schreef voor, dat het bovenste gedeelte er af moest worden gesneden. De Schotten zelf namen dit verhaal geen moment ernstig op. Zij wilden niet aanvaarden, dat juist een Engelsman hen moest voorschrijven hoe zij tot een gemakkelijk te dragen kleding konden komen. Tot zover de bovenkant van de kilt; wat eronder zit blijkt dikwijls aanleiding te geven tot vele speculaties! De Schot droeg vroeger helemaal niets onder zijn kilt. Tegenwoordig draagt hij echter soms een korte onderbroek van tartan. Een grondbezitter uit de Laaglanden antwoordde op de vraag "Heeft Uw familie een tartan?" Neen! Goddank niet, mijn voorouders konden zich altijd een broek permitteren!"

Fabricage van de stof.


Ogilvy Modern tartan

De stof was van zeer fijne kwaliteit, waarschijnlijk gemaakt van zachte wol van de oude Hooglandse schapen. De prachtige kleurstoffen werden thuis bereid uit zeewier, schors, bloemen en mos. Het Clanpatroon vormde geen probleem voor de weefsters.Het juiste aantal draden voor iedere streep of ruit van het patroon werd om een haak gewonden en de haak zelf werd van de ene generatie op de andere overgeleverd. De tartan van de familie Ogilvie is de meest gecompliceerde. Er zijn 81 kleurschakeringen voordat het patroon zichzelf herhaalt. Favoriete kleuren in de eerste tijd waren violet en blauw. Geen enkele beschrijving van de tartans stemt op de een of andere manier overeen met de setts (patronen) die in de moderne tijd door dezelfde Clans worden gedragen. Tijdens de Jacobitische opstand was het heel gewoon voor een Hooglander om jacket, plaid en trews te dragen, waarvan elk kledingstuk een andere tartan had. Na de opstand van 1745 moest men noodgedwongen het maken van tartans thuis opgeven: Er kwam toen een wet tot stand waardoor het verboden werd de zogenaamde Hooglandse kleding te dragen, onder bedreiging van zes maanden gevangenisstraf. Toen in 1782 het verbod werd opgeheven, was de kunst van het tartan maken grotendeels verloren gegaan. Synthetische kleurstoffen kwamen later in gebruik. In deze eeuw heeft uitgebreid onderzoek het weer mogelijk gemaakt de oude patronen terug te vinden.

Hoe was het nu met de kleding van de vrouwen gesteld? Hier bestaan niet zoveel gegevens over, maar we weten dat, vooral in het begin, de plaid gedragen werd door beide seksen. De kleuren van de tartans voor vrouwen waren echter levendiger en de ruiten groter, dan bij de mannen. De plaid werd dikwijls over het hoofd geslagen en bedekte verder het hele lichaam. Later droegen de vrouwen tartanjurken of een shawl, die om hun schouders werd gedrapeerd en natuurlijk de Schotse rokken (niet te verwarren met de kilt van de mannen).

In de twintigste eeuw kwam er een nieuwe mode; een lange sjerp (sash) die over de schouder liep en met een broche werd vastgezet. De kleding van de vrouwen is niet het boeiendste aspect, die van de mannen daarentegen is afwisselend, gracieus en kleurrijk. Behalve de kilt werden vroeger door de mannen trews als winterdracht gedragen. Trews is afgeleid van het Keltische 'triubhas' hetgeen broek betekent. Wij kunnen het enigszins met de maillot vergelijken. De oude Hooglandse trews waren een knap stukje kleermakerswerk. Zo te zien leken zij op de lange broeken uit de middeleeuwen, maar zij waren op een speciale manier gesneden. De pijpen van de broek waren samengesteld uit een stuk tartan. De stof was schuingeknipt, om een elastisch effect te krijgen. De pijpen waren smal en namen net als kousen de vorm van het been aan. Ze werden vroeger meestal gedragen bij het paardrijden, omdat de kilt hiervoor geheel ongeschikt is. In 1672 waren trews en kleine kilt de erkende kleding van de Hooglanders; de trews beperkte zich echter tot de upper class. Tegenwoordig wordt hoofdzakelijk de kilt gedragen. In het buitenland kreeg speciaal de regimental kilt grote vermaardheid. In de eerste wereldoorlog veroorzaakten de Schotse soldaten in hun vreemdsoortige kleding grote paniek bij de vijand. Zij werden 'Ladies from Hell' genoemd. Ofschoon er vaak gelachen wordt om de kilt en men de opmerking hoort, dat het geheel erg onpractisch is, zijn er toch grote voordelen aan verbonden. De kilt plakt namelijk niet aan het been als hij nat is. Bij het wandelen is het een prettig en luchtig kledingstuk. De fijne plissé is een goede bescherming tegen regen en wind. Momenteel is er nog een tendens, vooral bij de jongeren, om bij bijzondere gelegenheden zoveel mogelijk de kilt te dragen. Dit valt zeer toe te juichen, aangezien deze kleding toch altijd een aparte charme verleent, zeker in deze tijd, waar de mode voor mannen nogal saai te noemen is.

 

Accessoires

Kiltspeld

Op de kilt wordt een zilveren speld gedragen, die aan de rechterkant ongeveer 12 1/2 cm van de onderkant en 7 1/2 cm van de zijkant wordt bevestigd. Men hoeft de buitenste en de binnenste flap niet aan elkaar vast te spelden, aangezien daardoor gauw gaten ontstaan. Oorspronkelijk is het natuurlijk wel de bedoeling geweest. Overdag wordt dikwijls een gladde speld gedragen en 's avonds één bezet met juwelen, maar hiervoor bestaat geen vaste regel. De speld is uit het helmteken en wapenspreuk samengesteld. Deze laatste is in cirkelvorm aangebracht op een gestyleerde kouseband (garter). Voor een Chief steken hier drie zilveren veren bovenuit en voor een Chieftain twee.

Sporran en ketting.

Bij de kilt wordt een sporran (tas) gedragen, aangezien er in de kilt en trews geen zakken zitten. Alleen met atletiek wordt de sporran af gedaan. Hij is gemaakt van leer of kortharig bont met paardemanen versierd. Er zijn heel eenvoudige naast rijk versierde. De gewone voor dagelijks gebruik zijn van leer met kwastjes eraan en een klep over de sluiting. Vele sporrans uit de 17e en 18e eeuw hebben zilver of koperbeslag en werden opgehangen aan een zilveren of leren ketting. We moeten niet vergeten dat de Hooglander bijzonder gesteld is op vrolijk en rijk versierde kleding, 's Avonds worden meestal haren of bonten sporrans gebruikt. Leren tassen en riemen draagt men niet bij avondkleding.(Wel witte riemen bij de Highland regimenten). De avondsporran is dikwijls van zeehondenhuid met zilverbeslag en als de drager een wapen heeft, dan kan hij dat in de beugel laten graveren. De bontsporran met dierenmasker kan men zowel 's ochtends als 's avonds dragen. De lange paardeharen sporran is een moderne uitvinding. Hooglandse jackets. De Hooglandse jackets zijn enigszins te vergelijken met onze tegenwoordige colbertjasjes. De jackets die men overdag draagt zijn meestal van tweed of kamgaren. Er worden zeer veel uiteenlopende modellen gedragen. Het zou te ver voeren om alle verschillen te bespreken. Ze hebben echter als overeenkomst dat de jacket een enkele rij knopen heeft, kort is en van voren naar achteren schuin weggesneden om de kilt goed te doen uitkomen. Sportjasjes en blazers zijn dus ongeschikt, 's Avonds wordt een jacket gedragen van zwart fluweel, afgezet met een zilveren bies. De laatste tijd worden er jackets gemaakt naar authentieke voorbeelden.

Kousen

Voor het dagelijks gebruik kunnen kousen praktisch elke kleur hebben, maar de meest voorkomende zijn beige of grijs. De kousen moeten ongeveer 5 cm onder het kniegewricht blijven; dit wordt heel belangrijk gevonden, 's Avonds zijn zij veel kleuriger. Ze kunnen dan rood/wit, blauw/wit of rood/zwart zijn, maar men kan ook gebreide tartan kousen dragen. Deze zijn meestal in de hoofdkleuren van de kilt. Men draagt de kouseband aan de buitenkant met de knoop bovenop de kous. De bovenste rand van de kous is soms rechthoekig getand.

Schoenen (van ongelooid leer)

De originele brogue wordt al in 1543 beschreven. Men nam een dierenhuid waarin de voet geplaatst werd. Het overtollige leer werd er afgesneden en de uiteinden werden samengebonden boven de wreef. In het bovenleer werden gaten gesneden, zodat het water eruit kon lopen. De buitenkant was harig. De schoenen van vroeger verschillen niet zo erg veel van wat men tegenwoordig draagt. Ze zijn alleen niet harig meer. Deze 'brogues' zijn bijna altijd zwart. Bruine schoenen worden eigenlijk nooit bij de kilt gedragen. Voor avondkleding heeft men twee verschillende stijlen schoenen. De ene is zwart lakleer met dunne zolen, soms met versierde gesp en rode veters, die om de enkels sluiten. De andere stijl is een gewone schoen met gesp en riempje. Dit kan byzonder fraai zijn als het gedragen wordt met zilveren gespen. De damesschoenen zijn gemaakt van heel zacht zwart leer en hebben erg dunne zolen. Ze worden zowel door vrouwen als door mannen gedragen. Deze schoenen zijn onmisbaar voor het uitvoeren van de echte oude dansen uit de Hooglanden.

Sgian dubh

De sgian dubh is een zwart mes, dat aan de buitenkant van het rechterbeen wordt gedragen. Men steekt het tussen de kous en het been, slechts het heft is zichtbaar. Ook hier ziet men weer prachtig versierde exemplaren met zilveren heft. Het mes is een essentieel onderdeel van de Hoogland kleding.

Dolk

De dolk wordt alleen bij avondkleding gedragen. Het is dikwijls een erfstuk met bijzonder persoonlijke heraldische kentekenen. De dolk bestaat uit een lang mes, met in de schede een klein mes en een vork. Oorspronkelijk werd het lange mes voor de jacht gebruikt en het kleine bestek om mee te eten. Een typisch staaltje van doelmatigheid. De dolken zijn versierd met kostbare stenen. Het kleine bestek zit met zilveren kettinkjes vast aan de schede. De kunst van het dolken maken is helaas aan het uitsterven en met dat helaas wordt bedoeld het verloren gaan van kunstzinnig handwerk.

Kanten manchetten en jabots

Manchetten en jabots worden alleen bij avondkleding gedragen. De jabot is een vervanging van het strikdasje. De kanten manchetten zijn niet verplicht, maar geven wel een zeker cachet.

Muts

Er bestaan twee soorten mutsen: de Balmoral en de Glengarry bonnet. De Balmoral is een heel oude hoofdtooi. Hij kan zwart, blauw of reebruin zijn met of zonder geruite band en er kunnen lange linten aanhangen. Deze muts heeft de vorm van een baret. De Glengarry is meestal donkerblauw of zwart, kan ook een geruite band hebben, maar hier hangen altijd losse linten aan de muts. Het model is langwerpig met een gleuf bovenop. Vele mensen geven aan de Glengarry de voorkeur omdat het geheel er iets zwieriger uitziet.

Kouseband

De ouderwetse kouseband werd net als een herendas geknoopt. Ze werden op speciale kleine weeftoestelletjes gemaakt. Tegenwoordig ziet men dikwijls groene of rode kousebanden en bij de avondkleding zijn ze meestal van zijde. Er is weer een streven om de ouderwetse kouseband te gaan gebruiken.

Riem

De riem wordt gedragen bij de gewone dagelijkse kleding en is 5 tot 7 1/2 cm breed. Hij is uitgevoerd in zwart Marokkaans leer of lakleer en heeft een stevige zilveren gesp, versierd met een heraldisch patroon. Deze riem geeft aan de kilt zijn vervolmaking.

Hooglandse jackets
 
De Hooglandse jackets zijn enigszins te vergelijken met onze tegenwoordige colbertjasjes. De jackets die men overdag draagt zijn meestal van tweed of kamgaren. Er worden zeer veel uiteenlopende modellen gedragen. Het zou te ver voeren om alle verschillen te bespreken. Ze hebben echter als overeenkomst dat de jacket een enkele rij knopen heeft, kort is en van voren naar achteren schuin weggesneden om de kilt goed te doen uitkomen. Sportjasjes en blazers zijn dus ongeschikt, 's Avonds wordt een jacket gedragen van zwart fluweel, afgezet met een zilveren bies. De laatste tijd worden er jackets gemaakt naar authentieke voorbeelden.

Zwaardriem en zwaard

Zwaardriem en zwaard worden tegenwoordig alleen nog gebruikt bij militaire doeleinden en voor het bijwonen van hofrecepties. Zij behoren tot de echte galakleding.

Plaid

De plaid kan op twee wijzen gedragen worden.

  1. De volledige plaid wordt gedragen op de manier van de bandelier, meestal onder de riem waar het zwaard aanhangt, onder de rechterarm door en op de linkerschouder vast gezet met een grote broche.
  2. De plaid is kort geplooid en vastgemaakt op de linkerschouder met een broche. Deze manier is populair voor avondkleding.

Cape van Inverness

Er is niet precies vastgelegd welke mantel men draagt bij de kilt. Meestal draagt men een gewone regenjas. Bij de avondkleding geeft men de voorkeur aan de cape. Een bijzonder geschikt kledingstuk is de zogenaamde Inverness-cape, die de armen vrij laat.

Category: 

Bron:

De Clan Mac Gillivray heeft drie tartans

  1. De ancient tartan met lichtrode ondergrond.
  2. De hunting tartan, die alleen overdag en vooral op de jacht wordt gedragen, met een bruine ondergrond.
  3. De dress tartan, die ook wel overdag maar vooral bij avondkleding wordt gebruikt.

Clan MacGillivray Ancient

The sett or pattern, is the same as that for the MacGillivray Modern, but the "Ancient" version is an attempt to render the colours in the softer, lighter hues that would have resulted from the earlier use of natural vegetable and mineral dyes, before the introduction of the more intense modern chemical dyes.

Clan MacGillivray Hunting

Hunting tartans generally avoid the brighter colours in favour of those that would provide camouflage when hunting. The use of a brown background here is very unusual and distinctive. This tartan, quite different in its sett from the main MacGillivray tartan, has been used for some years by the Calrossie family in eastern Ross-shire, and is sometimes reffered to as the "Calrossie Sett". The same pattern, with a soft "ancient" red background is associated with another family and called the "Aberchalder Sett". It is also seen in a "weathered" version, where the background turns to a lighter "sand" hue.

Clan MacGillivray Modern

The authenticity and antiquity of this tartan are well established as it is one of a great family of tartans based on the simple Mackintosh sett, or pattern, found here in the central check of wider blue and green lines with the thin blue line in the centre. The added distinguishing elements are the thin blue and azure (light blue) lines. It is said that the azure is indicative of a clan originating from the west coast or Isles.

Clan Chattan

Clan Chattan is een confederatie van de volgende Clans. Deze tartan mag door iedereen uit deze confederatie gedragen worden.

  • Mackintosh
  • MacGillivray
  • MacBean
  • Shaw
  • MacThomas
  • Macleans of Dochgarroch
  • Macpherson
  • Farquharson
  • Davidson
  • MacPhail
  • MacQueens of Strathdearn
  • MacIntyres in Badenoch

 

Bron:

Clan MacGillivray Armigers

Col. George B. MacGillivray, CD BA KCLJ
Thunder Bay, Ontario, Canada (Deceased 22 Sept. 1994)

Col. MacGillivray's gifts to the Clan in his lifetime were many. He aquired personal arms on 4 June 1947. After that he matriculated the Chiefly Arms on behalf of earlier chiefs, restored the Clan's burial enclosure at Dunlichity and published the first comprehensive History of the Clan in 1973. He filed three seperate petitions for recognition as Chief and in 1989 was commissioned as Ceann Cath, Commander of the Clan MacGillivray by Lord Lyon.

Peter A. McGillivray, HDA
Mont Albert, Victoria, Australia

Peter was a co-founder of the Clan MacGillivray Society of Australia, which has been active for over twenty years, and he edits the Society's annual Journal. He is also the Clan's Commissioner for Australia and serves as informal Chairman of the Commissioners' working group. Peter acquired personal arms on 15 April 1989.

Robert McGillivray, Esq.
Edinburgh, Scotland

Robert has long been a staunch supporter of the Clan Chattan Association. His early activity included founding the society's Edinburgh branch and, together with his wife Pauline, he has co-edited its respected annual Journal for over twenty years. He is our Clan's Seannachie, or Historian, and also an advisor to the Commissioners' working group.

Dr. Edward J. (Edwin) MacGillavry, LLD
The Hague, Netherlands (Deceased 8 Aug. 1997)

Dr. MacGillavry, before his recent death, was scion of the distinguished Dutch branch of the Clan founded by a soldier from Nairn who settled in Holland after the Napoleonic Wars. This family had an illustrious history in the Dutch East Indies and retains a strong Indonesian interest. They have published their own branch's History and hold regular Gatherings in the Netherlands.

 

Wapen

Een wapen is in de heraldiek een teken dat is verbonden aan een persoon, een familie, een stad of staat, of een groep bij elkaar horende mensen. Traditioneel werd het gedragen op het schild. Het gebruiken van een wapen wordt het 'voeren' van een wapen genoemd.

Het wapen werd later uitgebreid met de helm met daarop een helmteken en een wrong van het dekkleed, en het werd bovendien getoond op andere herkenbare plaatsen zodat de herkenbaarheid van de groep in een veldslag gewaarborgd was en eigendommen duidelijk aan de persoon gebonden. Een vlag met de afbeelding van een wapen heet een banier.

De vorm van het Europese familiewapen vindt zijn oorsprong in de krijgsuitrusting van de vroegmiddeleeuwse edelman. Zijn bewapening bestond uit een metalen helm met er omheen een geplooid doekje tegen de zonnestraling, een borstkuras of harnas, een schild en een slag- of steekwapen. Door een banier en een helmteken kon hij dadelijk door vriend en vijand worden herkend.

In de huidige heraldische vorm van het familiewapen vindt men de helm met het helmteken terug, het doekje in de vorm van de zogenaamde dekkleden, gestyleerd, en het wapenschild, het voornaamste onderdeel.

Het schild dat de krijgsman gebruikte en waar het wapenschild is afgeleid, was oorspronkelijk neutraal van kleur en vorm en van een willekeurige versiering voorzien. Het helmteken werd in het begin gevormd door een grote pluim of verenbos in opvallende kleuren. De banier was duidelijk herkenbaar door zijn heldere tinten in blauw, groen, rood, geel en wit. Vaak was hierop ook een heraldische figuur aangebracht. De stok waar hij aan bevestigd was, had aan de kop een ornament in de vorm van een leeuw, een adelaar, een griffioen, een eenhoorn of een ander symbool. De banier werd gaandeweg de vlag van een groep, een legerafdeling en later van een landstreek of een land. Dit teken is in de loop der tijden uit de persoonlijke sfeer verdwenen. Het wordt tegenwoordig alleen nog maar gebruikt door de oude adel die nog kastelen of buitenplaatsen bezit.

Uit dit fraai bewerkte schild waarmee de edelman zich in de strijd verdedigde, is het heraldische wapenschild ontstaan, het voornaamste onderdeel van het familiewapen in zijn huidige vorm. Dit wapenschild wordt vaak vastgehouden door heraldische figuren van dieren, soms door menselijke gestalten. Waarschijnlijk zijn zij voortgekomen uit het ornament aan de kop van de banierstok. De dierenfiguren werden ook vaak in plaats van of samen met de pluim of verenbos in het helmteken van het heraldische verwerkt. Tenslotte werd het gebruikelijk in een geslacht ter inspiratie aan een spreuk te voeren, welke meestal werd ontleend aan heldhaftige of anderszins vermeldenswaardige daden van een lid van de familie.

In Schotland mochten alleen de Chief's of the Clan de schildhouders in hun wapen opnemen. De Schotten hebben hier nog de strijdkreet aan toegevoegd. Hiermee werden de Clansmen door de boodschapper voor de strijd opgeroepen. Wanneer de aanval werd deze kreet in koor aangeheven. Voor de Clan MacGillivray is deze "Dunmaglass" en voor de Clan Chattan "Lochnamoidh" (Meer van Moy).

Tijdens de kruistochten waren veel edelen uit heel Europa bijeen. Het werd daardoor noodzakelijk, dat men iedere edelman aan zijn persoonlijke kentekenen dadelijk kon herkennen. Hierdoor is de grondslag gelegd voor de Europese heraldiek.

Naarmate in Europa de zeden milder werden, veranderde de strijd op leven en dood tussen de edelen met hun aanhang in riddertournooien, die allengs de vorm kregen van wedstrijden die gebaseerd waren op allerlei ridderlijke tradities met een kermisachtige omlijsting. Dit was de laatste fase waarin het wapenschild in zijn oorspronkelijke vorm daadwerkelijk gebruikt werd. Het gevaar dreigde dat, toen deze tournooien uit de tijd raakten, de geslachtswapens met hen verloren zouden raken. Dit is niet gebeurd. De regimenten van de geregelde staatstroepen, die de onderlinge strijd van de edellieden hadden overgenomen, namen hun eigen wapens aan. Nog altijd worden voor hen nieuwe wapens ontworpen. Hetzelfde is het geval voor nieuwgevormde gemeenschappen als water- en polderlandschappen of nieuwe gemeenten in de drooggevallen IJsselmeerpolders. Dit gebeurt onder auspiciën van de Hoge Raad van Adel, die hen desgewenst ook van een eigen vlag voorziet.

Maar voor de ontwikkeling van de persoonlijke heraldiek is beslissend geweest dat de edellieden hun wapens op het schild, toen die niet meer nodig waren in de strijd, in de vorm van een heraldisch wapen gingen voeren als een identiteitsteken van hun geslacht en deze gingen styleren in de huidige vorm. Zij werden gebeeldhouwd in de poorten van hun kastelen, geschilderd op wapenborden in de kerken of ridderzalen, of uitgehouwen op hun grafzerken. Maar vooral in de zegels, eerst op stempels, daarna in zegelringen, waarmee leden van adellijke geslachten hun contracten door een indruk van hun wapen op lak gingen bezegelen. Hierdoor vooral is de heraldiek ook nu nog levend gebleven.

Met de opkomst van een rijke koopmansstand in de Renaissance, gingen allerlei tot rijkdom en macht gekomen geslachten, eerst in Italië, later in Frankrijk en vervolgens in de Nederlanden en Engeland, wapens aannemen en voeren zonder enig verband met het werkelijke gebruik in het verleden. Deels uit utiliteitsoverwegingen, omdat ook zij het nuttig vonden hiermee contracten te bezegelen, maar zeker ook uit geldingsdrang. Men wilde in elk opzicht de gelijke zijn van een oud adellijk geslacht. Dit proces heeft zich bij een verdere democratisering van Europa voortgezet. Steeds meer families gingen familiewapens (laten) ontwerpen en voeren, zonder enige voorafgaande traditie. Tegenwoordig draagt bijna iedereen een zegelring, waarbij het wapen vaak is vervangen door initialen of de steen geheel blank is gelaten. Hier is dus ook nog eens het verband tussen het sieraad en het doel waarvoor het gemaakt werd verloren gegaan.

De heraldiek heeft de vele oorlogen en revoluties in Europa overleefd. Zelfs die in Frankrijk, waar heel veel op dit gebied werd vernietigd. Dit is voor een groot deel te danken aan hen, die misschien uit ijdelheidsmotieven in later tijden, los van elke traditie, zich een familiewapen gingen aanschaffen. Ook in Schotland is de heraldiek in het tweede kwart van de twaalfde eeuw, na de eerste kruistochten tot ontwikkeling gekomen. In het laatste kwart van die eeuw was deze wijze van persoonlijke identificatie daar algemeen aanvaard.

De heraldiek heeft in Schotland een heel andere ontwikkeling gekend dan in de rest van Europa. Het aantal Clans in dat land was betrekkelijk klein, ongeveer honderd. Het waren eigenlijk grote families in de meest uitgebreide zin van het woord. Onder het Keltische Clansysteem, dat in de Hooglanden tot in het midden van de achttiende eeuw heeft bestaan, kende men geen klassetegenstellingen zoals in de rest van Europa tussen adel en derde stand, later tussen bourgeoisie en arbeidersklasse. Schotland heeft dan ook nooit zulke haatuitbarstingen gekend als die in Frankrijk en elders. Hierbij richtte zich de volkswoede vooral op het gehate symbool van de hogere standen: hun familiewapen! In de Hooglanden bestond er weliswaar een sociaal verschil tussen enerzijds de familie die de Clan zijn naam had gegeven, de bloedverwanten, de Chiefs, de Chieftains en de tacksmen, kortom de leiders en anderzijds de crofters, de massa van de tot de Clan behorende landbouwers, veetelers en hand- werkslieden. Overigens waren die vaak met de eerste groep verwant en voorzover zij dat niet waren, voerden zij toch meestal de naam van hun Chief. Men voelde zich één grote familie met de Chief als aller vader. De glorie van zijn kasteel, zijn hofhoudinkje en zijn heraldieke para fernalia wekten geen afgunst bij de Clansmen op. De eenvoudige landarbeider in zijn schamele hutje was trots op zijn ras en de Clan, waar hij zich toe rekende. Hij beschouwde zichzelf daardoor als lid van de aristocratie van het land, hoe simpel zijn beroep en hoe armoedig zijn bestaan ook was. Dit gold voor bijna de helft van alle Schotten, een verhouding die in geen enkel Europees land ooit heeft bestaan.


The arms of office of
Lord Lyon King of Arms

 

Proclaiming the dissolution of the Westminster Parliament
May 2001. Ross Herald, Lord Lyon and Carrick Pursuivant.

Een tweede reden voor een rustige en ordelijke ontwikkeling van de heraldiek in Schotland is de grote invloed, die de Lord Lyon, King of Arms, met zijn staf van de drie heralds (herauten) en drie pursuivants (volgelingen of onderherauten) heeft gehad. De Lord Lyon was en is nog steeds een van de hoogste dignitarissen van de Kroon en het Koninkrijk. Hij is de persoonlijke Raadadviseur van de Koning, met de rang van Minister van de Kroon en hierdoor lid van de regering van het land. Bovendien is hij President van een officiële rechtbank op heraldisch en genealogisch gebied. Bij zijn aanstelling wordt hij, als hij al niet van adel is, door de Koning in de adelstand verheven. In vroeger tijden, tot ongeveer 1100, toen Schotland nog een Keltisch koninkrijk was en Gaelic de voertaal aan het Hof, had hij de titel van High Sennachie of the Royal Line of Scotland. Opperbard zou men kunnen zeggen. In deze kwaliteit had hij als taak voor de kroning van iedere nieuwe koning diens afstamming af te leiden van Fergus Mor Mac Ere, de stichter van het Schotse Koningshuis van Gabhran (Gavran) in het begin van de zesde eeuw. Toen dit op den duur wat moeilijk ging worden werd genoegen genomen met zeven honorabele voorafgaande generaties. Bij de kroning moest hij dan als officiële Inaugurator zijn bevindingen in het Gaelic proclameren.

Tegenwoordig houdt de Lord Lyon met zijn staf uiterst zorgvuldig toezicht op het gebruik van familiewapens en genealogische afstammingslijnen. Gezien het financiële belang van de staat (het toewijzen van een wapen of de officiële erkenning van een afstammingslijn is een kostbare aangelegenheid) wordt misbruik hiervan gestraft alsof het een belastingfraude betreft. In ernstige gevallen zelfs met gevangenisstraf. Dientengevolge zijn alle gegevens uit Schotland over genealogie en heraldiek volkomen betrouwbaar en is wildgroei, zoals elders plaats vond, voorkomen.

In Schotland heeft men nooit familie- of Clanwapens gekend, maar uitsluitend persoonlijke wapens voor de Chiefs, de Chieftains en de tacksmen. Voor degenen die hier niet aan gewend zijn, kan het verwarrend zijn, dat personen met dezelfde naam een ander wapen voeren. Alleen aan de Chiefs en de Chieftains was het recht voorbehouden om schildhouders bij het wapen te voeren. De tacksmen voerden alleen schild, helmteken en wapenspreuk. Vrouwelijke famlieleden uitsluitend de beide laatste symbolen. De Chiefs mogen bovendien een Standard (wimpel) voeren. Niet zozeer in de strijd, maar meer als teken van hun aanwezigheid. Hierop staan afgebeeld vanaf de stok: het wapenembleem (vaak ook de vlag van Schotland), de badge (het helmteken), soms samen met de wapenspreuk, en tenslotte de krijgskreet. Tegenwoordig ziet men een dergelijke opstelling nog rudimentair terug op de borstzak van de jas van sportlieden, als embleem van de vereniging waartoe zij behoren.

Als iemand, ook nu nog, een eigen wapen wil gaan voeren, kan hij hiertoe een met redenen omkleed verzoek bij de Lord Lyon indienen. Wanneer de laatste na zorgvuldig onderzoek hiervoor zijn toestemming geeft, kan daarna in overleg met zijn Court tot de samenstelling van het wapen worden overgegaan. Men kon en kan dan kiezen tussen diverse symbolen, die voor de betreffende Clan traditioneel zijn.

Wat betreft de Clan Mac Gillivray zijn hiervan de voornaamsten:

  • Het hertegewei, dat als een van de oudste symbolen van de Clan wordt beschouwd en uitsluitend door de MacGillivray's wordt gebruikt.
  • De staande of zittende boskat in natuurlijk bruingrijs gestreepte kleur als symbool van de Clan Chattan (Clan Hattan - de ten onrechte zogenaamde kattenclan).
  • Een herkruist zilveren kruis, dat ook door de Clan Macpherson wordt gebruikt en dat op een verwantschap wijst met St. Columba, die in het jaar 563 het Christendom in de Hooglanden bracht.
  • Een galjoen in de vorm van een halve maan, die Viking afstamming van de Clan aangeeft.
  • Een of meer zwemmende zalmen wijst op de verwantschap met de Mac Donalds en hun stamvader Somerled. Deze wapenfiguur werd vaak gebruikt door de Clans aan de Westkust van de Hooglanden en de daarvoor gelegen eilanden.
  • Een hand met hierin een dolk symboliseert de krijgshaftigheid van de Clan en geeft alweer een verwantschap met de Macphersons aan.
  • Tenslotte het oudste symbool, een rechterhand, de palm naar buiten gekeerd dat de in de Clan belichaamde familieband tot uitdrukking brengt.
    De palm van de hand symboliseert de gemeenschappelijke voorvader, de kootjes van de vingers zijn diens afstammelingen tot aan de kleinkinderen en de vingernagels geven zijn achterkleinkinderen aan. Dit symbool gaat terug tot prehistorische tijden. Het behoorde aan de legendarische Ierse zogenaamde Handgod Dagda, de vader van de Godin Dana. Zij werd beschouwd als de Moedergodin van het oude voorchristelijke Ierland. Naar haar werd de Tuatha De Danann, het godenvolk van Dana genoemd, dat heel vroeger Ierland bewoonde. Deze hand wordt ook teruggevonden in het wapen van Conall Cearnach, Hoge Koning van Ierland in 183 voor Christus, de voorvader van de Ierse koningen van Dalriada, en eveneens in dat van Fergus Mac Ere, de eerste koning van het Schotse Dalriada in 503. Ook de leden van de Clan Mac Neill, koningen en prinsen van Ulster, waartoe St. Columba behoorde, voerden dit teken in hun wapens. Het werd ook vaak gebruikt door de koningen der Picten.

Als wapenspreuk werd behalve "Touch not the Cat bot a Glove" of "Touch not this Cat" ook vaak gebruikt "Be mindful". Ook in het Gaelic of Latijn als "Faichill Ort" of "Vigilate".

Het oudste in de Clan Mac Gillivray bekende wapen, namelijk dat van Farquhar Mac Alister Mor Mac Gillivray, IV van Dunmaglass, uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, zag er als volgt uit:

Schild: Gevierendeeld;

  • I In goud, zittende wilde boskat van natuurlijke kleur;
  • II In zilver, een rode hand de palm naar buiten gekeerd;
  • III In blauw, een naar rechts gewende zilveren zalm;
  • IV In goud, een blauw galjoen, drie masten met rode wimpels en gekruiste riemen.

Helmteken: Zittende wilde boskat van natuurlijke kleur.
Dekkleden: Rood en goud.
Wapenspreuk: Touch not this Cat.
Schildhouders: Twee buxusboompjes op een groene grond, met twee sneeuwklokjes aan weerszijden van het schild.

In de negentiende en in de twintigste eeuw zijn nog een viertal persoonlijke wapens officieel door de Lord Lyon te Edinburgh geregistreerd, ten behoeve van de volgende personen:

  1. The Hon. William Mac Gillivray, stichter en gouverneur van The North-West Company of Canada. Hij bracht het oude familiebezit Pennyghael op het eiland Muil in de Clan terug.
  2. Dr. Angus Mac Gillivray, oogarts te Dundee.
  3. George Brown Macgillivray, kolonel in het Canadese leger, uitgever en eigenaar van het dagblad "The Daily Times Journal" te Fort William, nu Thunderbay genoemd, in Ontario, Canada.
  4. Mr. Edward John Mac Gillavry, directeur van de Amsterdam-Rotterdam Bank te 's Gravenhage.

Laatstgenoemde stelde zijn persoonlijk wapen in overleg met de Lord Lyon als volgt samen:

Schild: Gevierendeeld;

  • I In blauw, een gouden galjoen voorzien van drie masten met rode wimpels;
  • II in goud, drie naar rechts gewende zalmen van natuurlijke kleur;
  • III in goud, een geheven Javaanse dolk met houten handvat;
  • IV In blauw een zilveren anker met kabel. Het wapen van zijn geboorteplaats Semarang.

Helmteken: Zittende wilde boskat van natuurlijke kleur, houdende in de linker voorpoot een herkruist kruis met spitse voet in rood.
Dekkleden: Blauw en goud.
Wapenspreuk: Vigilate.

Toekenning van een persoonlijk wapen houdt tevens opname in de “Noblesse of Scotland” in.

De letterlijke tekst in de oorkonde van erkenning luidt: "Are amongst all Nobles and in all Places of Honour to be taken, numbered, accounted and received as Nobles in the Noblesse of Scotland." Dit betekent voor onze familie dat de Lord Lyon iedere mannelijke naamdrager, als hij daar tenminste enkele duizenden guldens voor over heeft, zonder verder onderzoek zal toestaan een eigen wapen te gaan voeren. Hij wordt dan tevens opgenomen in de adel van Schotland. Het vierde kwartier van zijn wapen zou hij dan naar eigen goeddunken en in overleg met de Lord Lyon kunnen vaststellen.

In afwijking van de Schotse traditie voert onze familie volgens geldend gebruik in Nederland van oudsher een wapen voor al haar leden. Dit is in overeenstemming met het wapen, zoals dit vermeld wordt door Frank Adam in zijn boek "Clans, Septs and Regiments of the Scottish Highlands" op pagina 377 voor 'de' Mac Gillivray Chief. Het kan als volgt worden omschreven.

Schild: Gedeeld;

  • I In zilver een horizontale rechterpols en hand rechts gewend, een korte zilveren dolk omhoog houdend, de hand en pols in natuurlijke kleur;
  • II In blauw een herkruist zilveren kruis met spitse voet.

Helmteken: Zittende wilde boskat van natuurlijke kleur
Dekkleden: Zilver en blauw
Schildhouders: Twee in rode rokken met zwarte ruiten geklede krijgers, met zilveren helm, gouden schild en bandelier, waaraan een zilveren zwaard, bruine weitas en hoge bruine jachtlaarzen
Wapenspreuk: Touch not the Cat bot a Glove (Gaelic: Na bean don chat gun làmhainn)
Wapenkreet: Lochnamoidh of Dunmaglass
Wapenplant: De rode bosbes, Vaccinum vitis idea (Gaelic: Lus nam braoileag)

Bron:

  • Van Dunmaglass tot Djati Roenggo (Mr. E.J. MacGillavry)

1. Afstamming van de Clan Chattan volgens de Lyon Conjectural Tree

1 Erc, Koning van Dalriada, gelegen in Noord-Antrim, Ulster, Ierland. Hij leefde in de vijfde eeuw als afstammeling van de vroegere heilige Druïde Ulidian van de oude Ierse stam de Fir Bolg, die zijn oorsprong vindt in de legendarische Vrede-koning Conaire Mor, een rituele incarnatie van de Keltische Zonnegod Eochaid, de Ruiter der Hemelen.
2 Loarn, Koning van Dalriada. Zijn bezittingen lagen in de landstreek Lorn, die naar hem genoemd werd.
3 Fergus Mac Erc. Hij landde in 503 met zijn broers Lorn en Angus en 150 Scoten vanuit Ierland op het schiereiland Kintyre aan de Schotse Westkust en stichtte daar een nieuw Schots koninkrijk Dalriada.
4 Domangart, Koning van Dalriada. Hij overleed in 506.
5 Gabhran, Koning van Dalriada. Zijn kasteel lag op de heuvel van Dunadd. Hij gaf zijn naam aan het Schots-Keltische koningshuis dat eeuwenlang het Huis van Gabhran genoemd werd. Hij sneuvelde in 559 strijdend tegen de Picten.
6 Aidan Mac Gabhrain, Koning van Dalriada. Hij werd in 574 door St. Columba op een Druïdensteen, genaamd de Liana Fail of the Stone of Destiny op het heilige eiland lona tot eerste Christelijke koning van Dalriada gewijd. In datzelfde jaar werd hij ontheven van zijn schatplichtigheid jegens het Ierse Dalriada. Gesneuveld in 630.
7 Eochaid, de Knappe, Koning van Dalriada. Overleden in 630.
8 Domnall, de Gevlekte, Koning van Dalriada. Gesneuveld in 642.
9 Domangart, Koning van Dalriada. Gesneuveld 673.
10 Eochaid, Koning van Dalriada. Gesneuveld 697.
11 Eochaid, Koning van Dalriada. Na zijn nederlaag tegen de Picten in 733, werd hij door de krijgers van Koning Oengus van Pictland verdronken.
12 Aedh, de Witte, Koning van Argyll. Gesneuveld 778.
13 Eochaid, de Vergiftige, Koning van Argyll. Hij huwde ongeveer 781 met Urguistic, zuster van Unuist, Hoge Koning van de Picten.
14 Alpin, Koning van Argyll. Hij maakte door zijn afstamming van moederszijde aanspraak op de Pictische troon. Gesneuveld in 839 in de slag bij Fortrenn tegen de Picten.
15 Kenneth Mac Alpin, the Hardy, Ard Righ Albainn. Eerste Hoge Koning van Albany, het verenigde Schotland. Overleden 860.
16 Constantine I, Koning van Albany. Gesneuveld 877.
17 Domnall II, Koning van Albany. Gesneuveld 900.
18 Malcolm I , Koning van Albany, Gesneuveld 954.
19 Kenneth II , Koning van Albany. Gesneuveld 995.
20 Malcolm II , Koning van Albany. Overleed aan zijn wonden 1034.
21 Bethoc. Zij huwde Crinan, erfelijk abt van Dunkeld uit de stam van St. Columba. Overleden 1045. Mormaor van Athol.
22 Duncan I, Koning van Albany. Gesneuveld 1040.
23 Maelmare. Malcolm of Schotland, King of Strathclyde. Overleden tussen 990-991.
24 Madadh, Graaf van Atholl.
25 Malcolm, Graaf van Atholl.
26 Bethoc, oudste dochter.
27 Gillichattan Mor, I Chief van de Clan Chattan. Hij woonde op Torcastle, het centrum van Glenloy en Locharkaig.
28 Diarmaid, II Chief van de Clan Chattan.
29 Gillichattan, III Chief van de Clan Chattan.
30 Gillichattan Gierach of Muirach, IV Chief van de Clan Chattan.
31 Farquhard Gilliriach of Gillichattan, V Chief van de Clan Chattan.
32 Dougall Dall of Gilpatrick, VI Chief van de Clan Chattan.
33 Eva, erfgename van de Clan Chattan, huwde in 1291 Angus Mackintosh geb. ongeveer 1268, overleden in 1345. VI Chief van de Clan Mackintosh en VII Chief van de Clan Chattan.
34 Isabella Mackintosh huwde Duncan Alin MacGillivray.
Zie stamreeks 5 Nr. II.

 

2. Afstamming van de Clan Mackintosh volgens de Lyon Conjectural Tree

22 Duncan I, geb. 1001, eerste koning van Albany uit het House of AthoU 1034, vermoord door (zijn neef Macbeth te Pitgaveny bij Elgin 14 Augustus 1040, begraven op het heilige eiland Iona, (huwde in 1031 Sybille van Northumberland, dochter van Siweard Digera en Aelflaed. (zie stamreeks 1.)
23 Malcolm III Ceann Mor, geb. 1031, gekroond als koning van Albany te Scone op 25 April 1057, vermoord bij het kasteel Alnwick 13 November 1093, begraven te Tynemouth. Hij huwde 1e Ingibiorg, dochter van Finn Arnasson, Earl van de Orkney's. Hij huwde 2e voorjaar 1068 Margaret van Engeland geb. 1046, overleden 16 November 1093, dochter van Edward Atheling en de Hongaarse prinses Agatha. Uit het 2e huwelijk:
24 Aethelred of Eth, laatste abt van Dunkeld en dientengevolge uitgesloten van troonsopvolging, I Earl of Fife, overleden ongeveer 1128. Hij huwde een prinses van Moray, erfgename van de Clan Mac Duff.
25 Duff. II Earl of Fife, overleden voor zijn vader.
26 Constantine Mac Duff, III Earl of Fife, overleden 1129.
27 Gilmichael Mac Duff, IV Comes de Fif, overleden 1139.
28 Duncan II, V Earl of Fife, Regent van Schotland in 1153, overleden 1154.
29 Shaw Mac Duff, ook genoemd Mac an Toisich, I Chief van de Clan Mackintosh. Hij vergezelde in 1163 koning Malcolm IV naar Moray om daar een opstand te onderdrukken. Hij kreeg als beloning het erfelijk gouverneurschap van het kasteel van Inverness. Tevens verwierf hij de eigendom van de landerijen van Petty en Breachley, met het woud van Strathdearn en de vallei van de Findhorn.
30 Shaw Mackintosh, II Chief Mackintosh, werd door koning William I bevestigd in de bezittingen van zijn vader. Kamerheer voor de inning van de revenuen van de Kroon voor de districten rondom Inverness. Zijn woonplaats (duthus) was Petty waar nu nog het kerkhof van de Clan is.
31 William Mackintosh, III Chief Mackintosh, jongere broer van de kinderloos overleden Farquhar.
32 Shaw Mackintosh, IV Chief Mackintosh, verwierf de landerijen van Meikle Geddes en het land met kasteel van Rait aan de rivier de Nairn. Hij verkreeg in 1236 van Andrew, bisschop van Moray, Rothiemurchus in Strathspry in leen. Overleden in 1265. Hij huwde als eerste in een geslacht uit de Hooglanden en wel met Helena, dochter van William, Thane of Calder.
33 Farquhard Mackintosch, V Chief Mackintosh, geb. 1238. Hij woonde in Rothiemurchus en leidde zijn aanhang uit Badenoch bij de expeditie van koning Alexander III tegen de Noorse invasie op de Westkust. Hij huwde Mora, dochter van Angus Mor van het eiland Islay. Hij sneuvelde in 1274 in een gevecht met een inwoner van de Westelijke eilanden. In 1268 sloot de Chief van de Clan Mac Gillivray zich bij hem aan.
34 Angus Mackintosh, VI Chief Mackintosh, geboren ongeveer 1268. Hij werd opgevoed door zijn oom Alexander van Islay. Hij huwde in 1291 Eva, de enige dochter en erfgename van Dougall Dall, VI Chief van de Clan Chattan in Lochaber. Hierdoor verkreeg hij de landerijen van Glenluig en Loch Arkaig en werd VII Chief van de Clan Chattan. Hij vertrok omstreeks 1308 van Lochaber naar Rothiemurchus. Hij was een van de voornaamste leiders onder Randolph, Earl of Moray, neef van koning Robert the Bruce, in de slag bij Bannockburn in 1314. Hij trok in 1318 met Moray Engeland in en verkreeg in 1319 de landerijen van Benchar in Badenoch in leen. Overleden in 1345.
35 Isabella Mackintosh huwde Duncan Alin Mac Gillivray.
Zie stamreeks 5 Nr. II.

 

 

3. Afstamming van de Clans Mackintosh en MacGillivray van Karel de Grote

1 Arnulf, Majordomus, (Huismeier) in het Frankenrijk (610) gevestigd te Metz (612) geb. 582, overl. 16 Aug. 641. Hij huwde Oda.
2 Ansegisel, Majordomus in Austrasië, overl. in 685. Hij huwde Begga von Landen, overl. 698.
3 Pippijn, Majordomus in Austrasië, Neustrië en Bourgondië (689) geb. in 635. Hij huwde Alpheide.
4 Karel Martell, Koning der Franken, geb. in 676, overl. 22 Oktober 741. Hij huwde Chrotrud, overl. in 724.
5 Pippijn, Koning der Franken, geb. in 715, overl. St. Denis 23 September 768. Hij huwde Bertrada, gravin van Laon, overl. 12 Juli 783.
6 Karel I, de Grote, Koning der Franken (768), koning van Italië (774), Rooms keizer (25 December 800), geb. Ingelheim 2 April 742, overl. Aken 28 Januari 814. Hij huwde Aken in 771 Hildegardis, gravin van Vïnzgau, geb. in 758, overl. 30 April 783.
7 Lodewijk I, Koning (814), Rooms keizer (28 Oktober 816), overl. 20 Juni 840. Hij huwde in 794 Irmengarde, overl. in 818.
8 Karel II, de Kale, Koning van Bourgondië (869) en Oost-Lotharingen (870), koning in Italië en Rooms keizer (875), geb. Frankfurt a/d Main 13 juni 823, overl. Bride les Bains (Savoye) 6 October 877. Hij huwde 13 December 842 Irmentrud van Oriéans, geb. 27 September 830, overl. St. Denis 6 October 869.
9 Lodewijk II, de Stotteraar, Koning van Neustrië (Maine) (856), Aquitaine (867), Koning der West-Franken, (877), geb. 1 November 846, overl. Compiègne 10 april 879. Hij huwde in 875 Adelaide van Parijs, geb. tussen 855 en 860, overl. 18 October na 900.
10 Karel III, de Eenvoudige, Koning der West-Franken (911), Koning in Lotharingen (922), overl. Péronne 7 October 929. Hij huwde in 919 Edgiva van Wessex, na 936 abdis van de Notre Dame te Laon, overl. Na 951.
11 Lodewijk IV, Van Overzee, Koning der West-Franken (936), geb. 10 September 920, overl. Reims 10 September 954. Hij huwde eind 939 Gerberga van Saksen, regentes der West-Franken, geb. Nordhausen in 913 of 914, abdis van de Notre Dame te Laon (959), overl. Reims 5 Mei 984.
12 Mathilde (Mahaut) van Frankrijk huwde in 964 Konrad I (III) Koning van Opper-en Neder-Bourgondië, overl. 19 October 993.
13 Gisela, Prinses van Bourgondië, overl. 21 Juli 1006. Zij huwde Hendrik II, hertog van Beieren, geb. in 951, overl. 28 Augustus 995.
14 Gisela van Beieren, geb. in 973, overl. in 1024, huwde in 995 Stephanus 1 de Heilige, koning van Hongarije, geb. in 975, heilig verklaard in 1087, overl. Gran 20 Augustus 1038.
15 Agatha van Hongarije, huwde Edward Atheling van Wessex, geb. 1016, pretendent voor de Engelse Kroon, overl. in 1057.
16 Margaret van Engeland, de Heilige, geb. in 1046, overl. Edinburgh 16 November 1093, huwde te Scone (Schotland) in het voorjaar van 1068 Malcolm III Canmore, koning van Albany, geb. in 1031, overl. AInwich 13 November 1093.
Zie stamreeks 2 Nr. 23.

 

4. Afstamming van de Clan MacGillivray volgens de Galley Conjectural Tree

1 Ingiald de Wanheerser, laatste Koning uit het geslacht Frey Yngling, heidens rituele vredesvorsten van Uppsala in Zweden en afstammeling van een rituele incarnatie van de mannelijke verschijning van de legendarische Godin Nerthus, wier embleem een galjoen was in de vorm van een maansikkel. Hij leefde in de zevende eeuw.
2 Olaf de Bomenrooier, Koning van Vermaland in Noorwegen. Hij werd door zijn eigen volk aan Wodan geofferd tijdens een hongersnood in 710.
3 Halfdan Blankbeen, Koning der Upplanders in Noorwegen. Hij veroverde Raumarike en stichtte vroeg in de achtste eeuw een tempel in Skiringssal.
4 Eysteyn Windbuil, Koning van Raumarike in de achtste eeuw.
5 Halfdan de Gierige, Koning in Vestfold. Gul met zijn goud maar gierig met zijn voedsel.
6 Godfrey de Trotse, Koning in Vestfold, Raumarike en Vestmaran. Gedood in 810.
7 Olaf Geyestada-Alf, Koning van Vestfold en Ofse van 810 tot 840.
8 Ranald Hoger dan de Heuvels, werd door zijn halfbroer Halfdan verbannen naar de Orkney eilanden. Te zijner ere schreef Thiodolf zijn familiegeschiedenis, de Ynglagatal.
9 Godfrey, plunderde Ierland in 854. Overleden in 873.
10 Ivarr, Koning van Dublin. Hij plunderde Dumbarton in 870.
11 Guthorm, overleden in 890.
12 Ranald, Koning van Dublin, Waterford en York. Overleden in 921.
13 Ivar (Of Dublin) Ragnvaldsson, King of Dublin (900 - 990) was born in ca. 900 at Waterford, Ireland. He was born into the Ragnvaldsson family. He died in 990 at Strathearn, at age 90.
14 Ivarr, Koning van Waterford en Dublin. Overleden in 1000.
15 Ranald. I Son Of Ivar. King of Waterford Ragnall, 814-994(995)
16 Ranald, Koning van Waterford van 1022 tot 1031. Gedood in Dublin 1035. Hij bouwde in 1003 een toren in Waterford, die nu nog bestaat en bekend is als Reginald's Tower.
17 Imergi Eckmarcach, Koning van Dublin. Verslagen op het eiland Man in 1061. Hij stierf op een bedevaart naar Rome in 1065.
18 solaimh Macmeargaigh Solmund . Hij huwde in de Clan Mac Neill, de stam van St. Columba.
19 Gilladamnan (Orila Gilledonman domnan). Hij huwde in het koninklijk Huis van Argyll in Schotland.
20 Gillibride, pretendent voor de Kroon van Argyll.
21 21a. Somerled Regulus van Argyll. King of the Isles. geboren omstreeks 1110.
Overleden 1164. Gehuwd met Ragnhild. Prinses van Man en de Eilanden.
21b. Anradan Mac Gillibride. GEboren omstreeks 1115. (*)
22 Ranald, King of the Isles + 1207.
23 Donald, King of the Isles + 1249.
24 Angus Mor, King of the Isles + 1296.
25 Mora Mac Donald & Farquhard Mackintosh, V Chief Mackintosh.
Zie stamreeks 2 Nr. 33.

(*) Gillibride (20) had twee zonen, Somerled (21a), de stichter van de Clans MacDonald, Mac Dougall en MacRory, en Anradan of Henry. De jongste zoon nam zijn vaders naam er als familienaam bij. Hij noemde zich Anradan Mac Gillibride (21b).

5. Stamreeks van de Clan MacGillivray, volgens de "History of the MacGillivrays of Dunmaglass" en het "Farr Manuscript"

I N. Mac Gillivray. Geboren omstreeks 1230. In 1268 sloot hij zich met zijn aanhang, komend uit het Westen aan bij de Mackintoshes ten overstaan van Farquhar V Chief van die Clan in het kasteel van Inverness.
II Duncan Alin (de Schone) Mac Gillivray. Hij huwde Isabella Mackintosh, dochter van Angus VI Chief en Eva, erfgename van de Clan Chattan.
III Evander Mac Conochie Mac Gillivray. Hij sneuvelde in 1330 bij de heuvel van Drumglay in de strijd tussen de Clan Chattan en de Clan Cameron.
IV Farquhar Mac Gillivray
V Ewen Mac Gillivray.
VI John Mac Gillivray.
VII Bean Mac Gillivray.
VIII Duncan Mac Gillivray.
IX Anckyl Ian Ban Ciar (de Bruine) Mac Gillivray. Geboren omstreeks 1460.
X Duncan Mac Gillivray of Dunmaglass, I Chief. Hij huwde Fionnaghai Mackintosh, dochter van Duncan en Florence Mac Donald.
XI Farquhar Mac Gillivray of Dunmaglass, II Chief. Hij droeg in 1549 onder zijn zegel de landerijen van Dalmigavie over aan Robert Dunbar of Durris.
XII Alisdair Mor Mac Gillivray of Dunmaglass, III Chief. Vermeld in 1578 en 1581. Hij had twee broers: Duncan in Overculcabock, die na Alisdair's dood in 1609, in dat jaar voor hem het Clan Chattan
Verbond ondertekende en William in Culclaythohy.
XIII Farquhar Mac Alister Mac Gillivray.

 

In de oude Keltische wereld bestond een lange clantraditie om een lofzang, de Oran Mor (Great Song), mondeling over te brengen van generatie op generatie. Maar door de teruggang van de Keltische taal zijn vele 'songs' verloren gegaan. Gelukkig heeft de Oran Mor van Clan MacGillivray het overleefd, weliswaar bij toeval. Hoe kwam dat zo?

In het jaar 1850 wilde de priester Lachlan McGillivray de opvolger worden van Dunmaglass. Charles Fraser-Mackintosh, een jonge advocaat, werd gevraagd om bewijsmateriaal over de Clan MacGillivray te verzamelen voor de rechtszaak. Tussen die papieren werd een Keltisch lied gevonden, in de volksmond wel bekend in Strathnairn. Als het niet op dit moment in de openbaarheid was gebracht had dit loflied het niet gered. Jammer genoeg voor Lachlan is het hem niet gelukt om eigenaar te worden van Dunmaglass.

Dit loflied bevat veel traditionele kennis en historie over de Clan uit die tijd. De inhoud is waarschijnlijk samengesteld door de bard van de clan in 1782 ter ere van de geboorte van John Lachlan, zoon en opvolger van William XI van Dunmaglass. Eerdere Chiefs of the Clan werden genoemd maar niet Alexander of Dunmaglass, die stierf bij de Slag van de Culloden in 1746. Mogelijk zag men het als een slecht voorteken voor die jonge John Lachlan om die tragedie te vernoemen in dit loflied.

 

ORAN DO MHACGHILLEBHRAIGH AN DUIN

(SONG TO MACGILLIVRAY OF DUNMAGLASS)

Le Iain Donn MacSheumais 'Ic Dhaibhidh
(By John Donn M'James V'David)

Gradh do'n droing luinneach,
Mhuirneach, aigeannach ur,
Acfhuinneach, cliuiteach
Mhuirnicht' th'aguinn an curit
An fhine nach crion, 'sa shiolaidh
Fad' as gach taobh.
Sar Bhraighich an Duin
D'an tug mi mo run a chaoidh.
My love to the warlike race
The gentle, vigourous, flourishing
Active, of great fame, beloved
Whom we have over us,
The race that will not wither, and has descended
Long from every side,
Excellent M'Gillivrays of the Doun
Whom I shall ever hold in esteem.
Cha b'ann a ghineadh do nos
Do cuarran, no dh'fholach fuinn,
No'n iomall nan raon,
Ach do'n chruithneachd is caoine saoidh;
Sud na gallain tha treun,
'S tha fallain reidh, glann, caoin
'Chuireadh bratach ro crann
Do Lachlann mo ghraidh 's mo ghaoil.
Your race was not begotten
Of weeds, nor of worthless grass,
Nor did it grow in the edges of the field,
But sprang from the finest of the wheat;
These are the excellent plants,
Healthy, erect, pure, soft,
Who would raise a banner on its staff
Around Lachlan the Beloved
'Nuair a dh-eireadh sibh moch,
Sibh nach iarradh fois no tamh:
'Nuair a thogta leibh srol
Sibh nach obadh ri ceol nan crann,
Lannaibh fuara 'nan dorn,
Sgiath chruadhach aig seoid 'nan laimh
lomairt bhuadhar ni 's leoir
Aig daoin' uaisle nach soradh call.
When you would get early on foot
You would not seek idleness or rest,
When the banner was raised
Ye would not refuse to move to the music of the pipe.
Cold blades in your grasp,
Steel shields in the hands of the heroes,
Gentlemen who would not grudge loss
Driving enough of cattle before them.
Aig daoin' uaisle glan, gasd'
Nach soradh a'm feachd na'n camp,
Shiubhal mhointeach a's chnoc,
Coille 's gharbhlach, a's ghlac nam beann:
Nach soradh an ni
No 'n fhuil mhoralach phriseil ard,
Chur an cunnart 's an cas;
M'am bi Uilleam gu brath a'm fang.
Handsome, excellent gentlemen
Who would not spare themselves in army or camp,
Marching over moss and hill, army or
Wood, and in rough places, hollows and mountains,
Who would not spare their effects
Nor their high precious blood
To avoid danger
That William might never be in difficulty.
Ach daoine gasd' glan ur
Cho macanta ciuin ri mnaoi
Cho macanta min,
Ri mnaoi fo stiom a cinn;
Cho curasdach garg,
Ri curaidh nan arm t'hoirt luinn:
Cho fialaigh ri Diuc,
Tha Fearchar an Duin air chinnt.
But excellent, well-made, vigorous men,
As meek and gentle as a woman,
As meek and soft
As a woman who wears head dress,
As nimble and fierce
As an armed hero to give an angry blow,
Liberal as a Duke
Is Farquhar of the Doun in truth.
Tha Fearchar an aigh
Gun fheall, gun fhailing, gun lub;
Reidh, fosgarra tha
Aon-fhilte, gun chealg 'na ghnuis
Fialaidh, gaisgeanta, dan'
Ceann-feadhna do'n dream is maith cliu ;
Dh' aindeoin innleachd nan Gall,
'Stu gun cheann feachd cas a chruin.
The excellent Farquhar
Is without deceit,
Without failing, or cunning,
Straight-forward, open, warm,
Single-minded, without hypocrisy,
Liberal, heroic, bold,
Chief of those of excellent fame,
Spite of the Lowlander's craft
Thou art the head of the cause of the crown.
Air chaismeachd luath,
Thig do chairdean gu tuath o dheas:
Fir ghrinne 's glain snuadh,
Thig a Muile nan stuadh bheann glas,
Peighinn-a'-Ghaeil ie 'shluagh,
Thig thar bhuinne nan cuaintean bras;
Bi'dh iad agad 'san uair
Mu'm bi mulad no gruaimean ort.
At short warning
Thy friends will come from North and South,
Men of excellent form
From Mull of the green hills like waves,
Pennyghael with his men
Will come over the high-swelling waves,
They will come in a moment
Lest thou shouldest have any annoyance.
O Abarchaladair fos
Thig air bharantas seoid a mach
Siol na fala nach beo
Bha gu cothromach, comhnard, ceart;
Pairt do labhairt am beoil,
Bhi 'g a aithris air bhord Ie tlachd;
'S lionmhor caraid san fheoil
A' gabhail an comhnuidh leat.
From Aberchalder also
The heroes will certainly come forth,
Seed of them who are now no more,
Who were just, upright, righteous;
It was their delight to speak
Of those things around the table;
Many is the friend
Who dwells around thee.
O Dhulcrombaidh nam beann,
Nan creagan 's nan gleanntan glas;
Thig an t-armunn 'n a dheann,
An carraid nan lann nach tais,
Bi'dh sgiath laghach nam ball,
'S lann daingean a'd' laimh r i gaisg'
Chuireadh sgreamh air a' Ghall,
'Nuair ghabhdh thu 'n t-ardan bras.
From Dalcrombie of the hills,
The rocks, and the grey glens,
The hero will come in haste,
Who is not soft in the conflict of swords,
The neat spotted shield
And the f i rm sword i n his hand,
That would frighten the Lowlander
When his spirit would be up.
Clann l a in gun chearb,
Sliochd Uilleam 'ic Fhearchair ghlais;
Bheireadh fuil air an t-sealg,
Gur tearc e nach earbadh asd',
S'tric a cheannaich thu an drobh
Gun bharant ach t-ordag dheas;
S'a phaigh a rithist gu dearbh,
Le or agus airgiod glas.
The children of John without fault,
Race of Wiliam, son of grey Farquhar;
Who would draw blood in the hunt,
Few are they who would not trust them,
Often hast thou bought the drove
Without obligation save the touch of thy right thumb;
And paid again in truth
With gold and grey silver.
Bithid luchd ghabhail an spors,
Air bhraighe nam mor bheann ard;
Gum bu diubhalach do slieors'
Air damh biorach nan crocc 's nan carn;
Bhiod an ruadh-bhoc 'na theinn,
'S mac-saighe 'na dheigh r'a shail;
'S iionmhor grealach an fheidh,
Aig luchd-tharruing nam bein r i lar.
The sportsmen will be found
On the summit of the high mountains;
Thy race were destructive
To the sharp-horned hart of the hills;
The roebuck would be in haste
And the son of the dog in pursuit at his heels;
Many of the entrails of the deer
Which the flayers of the skin would leave on the ground.
A Righ! gu'm b'aighearach sinn,
'Nuair ghaabhamaid sios gu tamh;
Ged bhiodh a' cheathairne sgith,
Bhiodh deasghnothach gach 'ti 'na laimh,
Gheibhte furan an oil ,
Agus iorr am a' cheoil a b'fhearr;
Aig luchdnan leadan bu bhoidch,
Bheireadh freagradh do'n ghloir a' b'fhearr
O King! joyful would we be
When returning home to rest;
Though the hero might be wearied,
Every man's business would be in his hand,
He would have the joy of drinking.
And the sounds of the sweetest music,
With them of the fairest locks,
Who could reply in the choicest conversation.
Mar ri ceile 's maith dreach,
Bean reidh an fhuilt chleachdaich bhain;
Gheibhte feileachd gun airc,
Fuaim theud ann am fasan chaich;
'Fhuair gleus air gach bord.
Gun eigin, gun leon gun chas:
Spors gun teagamh aig seoid,
'N am leagail nan corn mu'n chlar.
Also with the fairest spouse,
The gentle woman with the fair curled hair,
Hospitality without stint,
The sound of strings
As usual tuned,
We were cheered around each table
Without want, without wound, without misfortune,
The heroes had amusement indeed
when the drinking horns were placed upon the table.
'Se bu chleachdadh do'n t-seod,
'Bhi 'g ol air f i on mar dheoch;
Ann am fasgadh na mnaoi,
Bu mhaisiche, mine 'dreach.
Sud an comunn gun fheall.
Air am follaiseach gradh gach neach:
Gun fhuath gsun alladh 'nan com.
Ach onoir nam fonn Ie tlachd.
It was the custom of the hero
To take wine as his drink
Alongside of the wife,
The fairest and gentlest of disposition,
That was the companionship without deceit,
In which the love of each was manifest.
Without hatred or ill-will in their heart,
But honour with pleasure is their disposition.

 

Bron:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  • Dunmaglass is de strijdkreet (war cry) van de Clan MacGillivray.
    Het is een samentrekking van de woorden: dùn, magh en glas, wat betekent: "Fort op het grijze veld".

    fortress
    field
    grey
    dùn (m)
    achadh (m), blàr (m), dail (f), magh (m), mìn (m), raon (m)
    liath (light grey), glas (dark grey)
  • In Schotland vindt u de Dunmaglass Lodge. Ook getekend op de kaft van het boek 'Van Dunmaglass tot Djati Roenggo'.
     
  • De MacGillivrays die zich vestigden ten zuiden van Inverness aan de oostelijke oever van Loch Ness stichtten de Dunmaglass tak. De Chiefs van deze tak noemden zich Lairds of Dunmaglass. De Chiefs plaatsten 'of Dunmaglass' achter hun achternaam. De eerste Chief heette Duncan MacGillivray of Dunmaglass.
     
  • In de voornamen komen ze ook voor. B.v. Donald Dunmaglass Mac Gillavry (* 1861, + 1881) en Dunmaglass Henry Donald Mac Gillavry (*1905, + 1945).
Touch not this Cat

Touch not this cat

De Clans Chattan, Mackintosh, Mac Pherson, MacBain en Gow en MacGillivray voeren de 'wildcat' in hun wapen en hun motto's luiden: "Touch not the cat bot (but / without) a glove".

In het Keltisch: "Na bean do'n chat gun làmhainn".

De MacGillivray's voeren vaker het motto: "Touch not this cat" (Na bean do'n chat).

Lus nam braoileagLus nam braoileag

Lus nam braoileag

Verder kennen wij nog de wapenplant, een veel verbreide en dus gemakkelijk te vinden inheemse plant met veronderstelde geneeskrachtige of gelukbrengende werking, welke als een soort talisman op de helm of de muts werd gedragen.

Zo heeft Schotland de distel, Engeland de roos, Ierland het klaverblad en Wales de narcis als nationaal symbool.

Voor de MacGillivray's is dit een rode bosbes: "Lus nam braoileag", in het latijn "Vaccinium vitis idea".

Category: 

Na bean do'n chat gun làmhainn
Touch not the cat bot a glove

Zircon - This is a contributing Drupal Theme
Design by WeebPal.